Artikel 29: Het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid van de Unie

28
Artikel 29
30
  • 1. 
    De Europese Unie verbindt zich ertoe een gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid te voeren dat is gebaseerd op de geleidelijke ontwikkeling van de wederzijdse politieke solidariteit van de lidstaten, de geleidelijke afbakening van de aangelegenheden van algemeen belang en de totstandbrenging van een steeds toenemende mate van convergentie van het optreden van de lidstaten.
  • 2. 
    De Raad bepaalt welke de strategische belangen van de Unie zijn en stelt de doelstellingen van haar gemeenschappelijk buitenlands- en veiligheidsbeleid vast. De Raad van Ministers gaat bij het opstellen van dit beleid te werk volgens het bepaalde in deel II van de Grondwet.
  • 3. 
    De Europese Raad en de Raad van Ministers nemen de noodzakelijke besluiten aan.
  • 4. 
    Dit gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid wordt uitgevoerd door de Minister van Buitenlandse Zaken van de Unie en door de lidstaten, met gebruikmaking van de middelen waarover de lidstaten en de Unie beschikken.
  • 5. 
    De lidstaten overleggen in de Raad en in de Europese Raad over elke aangelegenheid van algemeen belang op het gebied van het buitenlands- en veiligheidsbeleid met het oog op de omschrijving van een gemeenschappelijke aanpak. Iedere lidstaat overlegt met de andere lidstaten in de Raad of in de Europese Raad alvorens internationaal op te treden of verbintenissen aan te gaan die de belangen van de Unie kunnen schaden. De lidstaten zorgen er door middel van een onderling afgestemd en convergent optreden voor dat de Unie haar belangen en waarden op het internationale toneel kan doen gelden. De lidstaten zijn onderling solidair.
  • 6. 
    Het Europees Parlement wordt geraadpleegd over de voornaamste aspecten en de fundamentele keuzen op het gebied van het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid, en wordt op de hoogte gehouden van de ontwikkeling daarvan.
  • 7. 
    Besluiten op het gebied van het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid worden door de Europese Raad en de Raad van Ministers met eenparigheid van stemmen aangenomen, behalve in de in deel II van de Grondwet bedoelde gevallen. Zij spreken zich uit op voorstel van een lidstaat, of van de minister van Buitenlandse Zaken van de Unie, die alleen op tezamen met de Commissie een voorstel doet.
  • 8. 
    De Europese Raad kan met eenparigheid van stemmen besluiten dat de Raad ook in andere dan de in deel II van de Grondwet bedoelde gevallen bij gekwalificeerde meerderheid besluit.

Inhoudsopgave van deze pagina:

1.

Commentaar

  • 1. 
    Dit lid beschrijft het evolutieve karakter van het GBVB dat is gebaseerd op de groei van de onderlinge solidariteit, de convergentie van de standpunten en de politieke wil om op het internationale toneel gezamenlijk op te treden.
  • 2. 
    Met dit lid wordt beoogd de impulsgevende rol van de Europese Raad te beschrijven. De formulering komt overeen met aanbeveling 3 van werkgroep VII volgens welke de Europese Raad "de strategische doelstellingen en belangen" van de Unie moet bepalen aan de hand van de in de Grondwet omschreven algemene beginselen en doelstellingen van het externe optreden (door Werkgroep VII is een tekst voorgesteld over de beginselen en doelstellingen van het extern optreden, die in deel II, titel B betreffende het externe optreden, artikel 1, is opgenomen). Dit lid beschrijft de centrale rol die de Raad speelt bij het uitstippelen van het GBVB op basis van de door de Europese Raad vastgestelde leidraden. De nadere bepalingen hiervoor staan in deel II van de Grondwet.
  • 3. 
    In dit lid is rekening gehouden met het feit dat naar aanleiding van de aanbevelingen van de werkgroep vereenvoudiging, de instrumenten van het GBVB (gemeenschappelijke acties, gemeenschappelijke standpunten en gemeenschappelijke strategieën) vervangen zijn door "besluiten". Ook de Europese Raad zal, zo is de bedoeling, besluiten nemen (waar hij thans "algemene beleidslijnen" en "gemeenschappelijke strategieën" vaststelt).
  • 4. 
    Het GBVB wordt uitgevoerd door de minister van Buitenlandse Zaken van de Unie, wiens functies beschreven worden in titel IV over de instellingen. De minister kan uit hoofde van zijn functies in het kader van het GBVB door de Raad en de Europese Raad gemachtigd worden om namens de Unie internationale opdrachten uit te voeren. Hij verdedigt de standpunten van de Unie en voert de dialoog met derde landen en internationale organisaties.

    De lidstaten zijn eveneens gehouden de uit hoofde van het GBVB genomen besluiten na te leven en uit te voeren. Hiertoe maken zij gebruik van de nationale middelen, bijvoorbeeld door hun diplomatieke missies te gelasten demarches uit te voeren, de standpunten van de Unie te verdedigen of binnen internationale fora te stemmen volgens de overeengekomen lijn. De rol van de speciale vertegenwoordigers komt in deel II aan de orde.

  • 5. 
    Dit lid handelt over het belang van de systematische samenwerking en de solidariteit tussen de lidstaten. Dit zijn essentiële onderdelen van de werking van het GBVB, aangezien ze ertoe bijdragen de standpunten van de lidstaten op elkaar af te stemmen en de noodzakelijke politieke wil om tot gezamenlijke standpunten en acties te komen te versterken. Deze verplichting tot raadpleging en overleg is streker dan in het VEU, waar zij luidt als volgt:

    "Artikel 16: Tussen de lidstaten vindt wederzijds informatie en onderling overleg plaats in de Raad over elke aangelegenheid van algemeen belang op het gebied van het buitenlands en veiligheidsbeleid, opdat de invloed van de Unie zo doeltreffend mogelijk wordt uitgeoefend door middel van een onderling afgestemd en convergent optreden."

    (Het beginsel dat de werking van het GBVB niet beperkt moet blijven tot de vergaderingen van de Raad te Brussel, maar eveneens ontwikkeld wordt in derde landen en binnen internationale organisaties, wordt in deel II verder toegelicht.)

  • 6. 
    De details van deze bepaling worden vastgelegd in deel II van de Grondwet en omvatten de desbetreffende aanbevelingen van Werkgroep VII. De groep heeft erkend dat het huidig artikel 21 VEU reeds bevredigend is, maar niettemin moet worden aangevuld met de deelneming van de minister van Buitenlandse Zaken aan de in artikel 21 van het VEU omschreven taken, namelijk raadpleging over de voornaamste aspecten en de fundamentele keuzen, alsmede informatie over de ontwikkeling van het GBVB.
  • 7. 
    Dit lid heeft betrekking op:
    • a) 
      de besluitvormingsprocedure (eenparigheid van stemmen blijft de algemene regel, met evenwel een paar significante uitzonderingen), en
    • b) 
      het initiatiefrecht (wordt gedeeld door de minister van Buitenlandse Zaken - die alleen of samen met de Commissie optreedt - en de lidstaten).

    Deel II behelst de uitzonderingen op de unanimiteitsregel zoals die thans ook in het verdrag voorkomen:

    • a) 
      benoeming van een speciale vertegenwoordiger (artikel 23, lid 2, van het VEU);
    • b) 
      uitvoering van bestaande gemeenschappelijke optredens of gemeenschappelijke standpunten (artikel 23, lid 2, van het EU, dat echter is herzien om rekening te houden met de vereenvoudiging van de instrumenten);
    • c) 
      uitvoering van de gemeenschappelijke strategieën (artikel 23, lid 2, van het VEU, dat echter is herzien om rekening te houden met de vereenvoudiging).

    Aan deze lijst worden op grond van aanbeveling nummer 8 van de Werkgroep de besluiten toegevoegd die door de Raad worden genomen op gezamenlijk voorstel van de minister van Buitenlandse Zaken (voor het GBVB) en van de Commissie (voor de andere aspecten van het externe optreden).

    Werkgroep VII heeft onderstreept "dat een inert GBVB moet worden voorkomen en dat juist een proactief beleid dient te worden aangemoedigd, en dat daartoe optimaal gebruik moet worden gemaakt van de bestaande bepalingen betreffende het gebruik van stemming bij gekwalificeerde meerderheid en van de bepalingen die enige vorm van flexibiliteit bieden, zoals constructieve stemonthouding". De bepaling betreffende constructieve stemonthouding wordt ondergebracht in deel II van de Grondwet (zie eveneens punt 9 hierna).

  • 8. 
    De werkgroep heeft aanbevolen in de Grondwet een bepaling op te nemen op basis waarvan de Europese Raad met eenparigheid van stemmen kan besluiten het gebruik, door de Raad, van stemming bij gekwalificeerde meerderheid uit te breiden tot andere gebieden van het GBVB dan de in het constitutioneel verdrag genoemde.

P.M. Er zij gememoreerd dat de specifieke bepalingen van het GBVB de bepalingen betreffende andere beleidsvormen en beleidsterreinen van het externe optreden onverlet laten. Titel B van deel II van de Grondwet bepaalt voor ieder beleid of beleidsterrein van het extern optreden de besluitvormingsprocedure, de instrumenten, het initiatiefrecht, alsmede de rol van de verschillende actoren.

P.M. Het GBVB valt niet onder de rechtsmacht van het Hof van Justitie. De gebieden waarop het Hof bevoegd is, zullen in een ander artikel van de Grondwet worden aangegeven. Derhalve is het niet noodzakelijk in een artikel betreffende het GBVB te bepalen dat door het Hof geen rechterlijke toetsing wordt uitgeoefend. Het verdrag voorziet daarentegen wel in een politieke toetsing op de uitvoering van het GBVB, die door de Raad wordt verricht. De desbetreffende bepalingen worden opgenomen in deel II van de Grondwet.

2.

Ontwikkeling artikel

1984
  • 1. 
    In de internationale betrekkingen maakt de Unie gebruik van de methode van het gemeenschappelijk optreden op de in dit Verdrag genoemde gebieden ten aanzien waarvan zij een exclusieve of concurrerende bevoegdheid heeft.
  • 2. 
    Op het terrein van de handelspolitiek bezit de Unie een exclusieve bevoegdheid.
  • 3. 
    De Unie voert een ontwikkelingsbeleid. Tijdens een overgangsperiode van tien jaar krijgt dit beleid geleidelijk het karakter van een gemeenschappelijk optreden van de Unie. Voor zover de Lid-Staten onafhankelijke programma's blijven uitvoeren, stelt de Unie het kader vast waarbinnen zij zorg draagt voor de coördinatie van deze programma's met haar eigen beleid, onder eerbiediging van de vigerende internationale verplichtingen.
  • 4. 
    Wanneer bepaalde vormen van extern beleid tot de exclusieve bevoegdheid van de Europese Gemeenschappen behoren krachtens de Verdragen tot instelling daarvan, maar deze bevoegdheid niet volledig uitgeoefend is, worden bij de wet de voorwaarden en de termijnen vastgesteld die noodzakelijk zijn voor de volledige, uitoefening daarvan binnen een tijdsbestek dat niet langer dan vijf jaar mag bedragen.
1994
  • 1. 
    De Europese Raad stelt de beginselen en de algemene richtsnoeren van het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid vast, met inbegrip van het gemeenschappelijk defensiebeleid en de gemeenschappelijke defensie.
  • 2. 
    De Raad besluit, op voorstel van de Commissie of op verzoek van een lid-staat, over de gemeenschappelijke standpunten of activiteiten van de Unie. Behoudens extreem urgente gevallen, raadpleegt hij het Europees Parlement op de daarvoor aangewezen wijze. In ieder geval houdt hij het Europees Parlement op de hoogte en geeft hij het rekenschap van zijn optreden.

    De Raad besluit met eenparigheid van stemmen, behalve in de gevallen waarin hij zich op voorstel van de Commissie met overgekwalificeerde meerderheid uitspreekt. Na afloop van een periode van vijf jaar besluit hij met meerderheid van stemmen en uitsluitend op voorstel van de Commissie.

2003
  • 1. 
    De Europese Unie verbindt zich ertoe een gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid te voeren dat is gebaseerd op de geleidelijke ontwikkeling van de wederzijdse politieke solidariteit van de lidstaten, de geleidelijke afbakening van de aangelegenheden van algemeen belang en de totstandbrenging van een steeds toenemende mate van convergentie van het optreden van de lidstaten.
  • 2. 
    De Raad bepaalt welke de strategische belangen van de Unie zijn en stelt de doelstellingen van haar gemeenschappelijk buitenlands- en veiligheidsbeleid vast. De Raad van Ministers gaat bij het opstellen van dit beleid te werk volgens het bepaalde in deel II van de Grondwet.
  • 3. 
    De Europese Raad en de Raad van Ministers nemen de noodzakelijke besluiten aan.
  • 4. 
    Dit gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid wordt uitgevoerd door de Minister van Buitenlandse Zaken van de Unie en door de lidstaten, met gebruikmaking van de middelen waarover de lidstaten en de Unie beschikken.
  • 5. 
    De lidstaten overleggen in de Raad en in de Europese Raad over elke aangelegenheid van algemeen belang op het gebied van het buitenlands- en veiligheidsbeleid met het oog op de omschrijving van een gemeenschappelijke aanpak. Iedere lidstaat overlegt met de andere lidstaten in de Raad of in de Europese Raad alvorens internationaal op te treden of verbintenissen aan te gaan die de belangen van de Unie kunnen schaden. De lidstaten zorgen er door middel van een onderling afgestemd en convergent optreden voor dat de Unie haar belangen en waarden op het internationale toneel kan doen gelden. De lidstaten zijn onderling solidair.
  • 6. 
    Het Europees Parlement wordt geraadpleegd over de voornaamste aspecten en de fundamentele keuzen op het gebied van het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid, en wordt op de hoogte gehouden van de ontwikkeling daarvan.
  • 7. 
    Besluiten op het gebied van het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid worden door de Europese Raad en de Raad van Ministers met eenparigheid van stemmen aangenomen, behalve in de in deel II van de Grondwet bedoelde gevallen. Zij spreken zich uit op voorstel van een lidstaat, of van de minister van Buitenlandse Zaken van de Unie, die alleen op tezamen met de Commissie een voorstel doet.
  • 8. 
    De Europese Raad kan met eenparigheid van stemmen besluiten dat de Raad ook in andere dan de in deel II van de Grondwet bedoelde gevallen bij gekwalificeerde meerderheid besluit.

3.

Commentaar

  • 1. 
    Dit lid beschrijft het evolutieve karakter van het GBVB dat is gebaseerd op de groei van de onderlinge solidariteit, de convergentie van de standpunten en de politieke wil om op het internationale toneel gezamenlijk op te treden.
  • 2. 
    Met dit lid wordt beoogd de impulsgevende rol van de Europese Raad te beschrijven. De formulering komt overeen met aanbeveling 3 van werkgroep VII volgens welke de Europese Raad "de strategische doelstellingen en belangen" van de Unie moet bepalen aan de hand van de in de Grondwet omschreven algemene beginselen en doelstellingen van het externe optreden (door Werkgroep VII is een tekst voorgesteld over de beginselen en doelstellingen van het extern optreden, die in deel II, titel B betreffende het externe optreden, artikel 1, is opgenomen). Dit lid beschrijft de centrale rol die de Raad speelt bij het uitstippelen van het GBVB op basis van de door de Europese Raad vastgestelde leidraden. De nadere bepalingen hiervoor staan in deel II van de Grondwet.
  • 3. 
    In dit lid is rekening gehouden met het feit dat naar aanleiding van de aanbevelingen van de werkgroep vereenvoudiging, de instrumenten van het GBVB (gemeenschappelijke acties, gemeenschappelijke standpunten en gemeenschappelijke strategieën) vervangen zijn door "besluiten". Ook de Europese Raad zal, zo is de bedoeling, besluiten nemen (waar hij thans "algemene beleidslijnen" en "gemeenschappelijke strategieën" vaststelt).
  • 4. 
    Het GBVB wordt uitgevoerd door de minister van Buitenlandse Zaken van de Unie, wiens functies beschreven worden in titel IV over de instellingen. De minister kan uit hoofde van zijn functies in het kader van het GBVB door de Raad en de Europese Raad gemachtigd worden om namens de Unie internationale opdrachten uit te voeren. Hij verdedigt de standpunten van de Unie en voert de dialoog met derde landen en internationale organisaties.

    De lidstaten zijn eveneens gehouden de uit hoofde van het GBVB genomen besluiten na te leven en uit te voeren. Hiertoe maken zij gebruik van de nationale middelen, bijvoorbeeld door hun diplomatieke missies te gelasten demarches uit te voeren, de standpunten van de Unie te verdedigen of binnen internationale fora te stemmen volgens de overeengekomen lijn. De rol van de speciale vertegenwoordigers komt in deel II aan de orde.

  • 5. 
    Dit lid handelt over het belang van de systematische samenwerking en de solidariteit tussen de lidstaten. Dit zijn essentiële onderdelen van de werking van het GBVB, aangezien ze ertoe bijdragen de standpunten van de lidstaten op elkaar af te stemmen en de noodzakelijke politieke wil om tot gezamenlijke standpunten en acties te komen te versterken. Deze verplichting tot raadpleging en overleg is streker dan in het VEU, waar zij luidt als volgt:

    "Artikel 16: Tussen de lidstaten vindt wederzijds informatie en onderling overleg plaats in de Raad over elke aangelegenheid van algemeen belang op het gebied van het buitenlands en veiligheidsbeleid, opdat de invloed van de Unie zo doeltreffend mogelijk wordt uitgeoefend door middel van een onderling afgestemd en convergent optreden."

    (Het beginsel dat de werking van het GBVB niet beperkt moet blijven tot de vergaderingen van de Raad te Brussel, maar eveneens ontwikkeld wordt in derde landen en binnen internationale organisaties, wordt in deel II verder toegelicht.)

  • 6. 
    De details van deze bepaling worden vastgelegd in deel II van de Grondwet en omvatten de desbetreffende aanbevelingen van Werkgroep VII. De groep heeft erkend dat het huidig artikel 21 VEU reeds bevredigend is, maar niettemin moet worden aangevuld met de deelneming van de minister van Buitenlandse Zaken aan de in artikel 21 van het VEU omschreven taken, namelijk raadpleging over de voornaamste aspecten en de fundamentele keuzen, alsmede informatie over de ontwikkeling van het GBVB.
  • 7. 
    Dit lid heeft betrekking op:
    • a) 
      de besluitvormingsprocedure (eenparigheid van stemmen blijft de algemene regel, met evenwel een paar significante uitzonderingen), en
    • b) 
      het initiatiefrecht (wordt gedeeld door de minister van Buitenlandse Zaken - die alleen of samen met de Commissie optreedt - en de lidstaten).

    Deel II behelst de uitzonderingen op de unanimiteitsregel zoals die thans ook in het verdrag voorkomen:

    • a) 
      benoeming van een speciale vertegenwoordiger (artikel 23, lid 2, van het VEU);
    • b) 
      uitvoering van bestaande gemeenschappelijke optredens of gemeenschappelijke standpunten (artikel 23, lid 2, van het EU, dat echter is herzien om rekening te houden met de vereenvoudiging van de instrumenten);
    • c) 
      uitvoering van de gemeenschappelijke strategieën (artikel 23, lid 2, van het VEU, dat echter is herzien om rekening te houden met de vereenvoudiging).

    Aan deze lijst worden op grond van aanbeveling nummer 8 van de Werkgroep de besluiten toegevoegd die door de Raad worden genomen op gezamenlijk voorstel van de minister van Buitenlandse Zaken (voor het GBVB) en van de Commissie (voor de andere aspecten van het externe optreden).

    Werkgroep VII heeft onderstreept "dat een inert GBVB moet worden voorkomen en dat juist een proactief beleid dient te worden aangemoedigd, en dat daartoe optimaal gebruik moet worden gemaakt van de bestaande bepalingen betreffende het gebruik van stemming bij gekwalificeerde meerderheid en van de bepalingen die enige vorm van flexibiliteit bieden, zoals constructieve stemonthouding". De bepaling betreffende constructieve stemonthouding wordt ondergebracht in deel II van de Grondwet (zie eveneens punt 9 hierna).

  • 8. 
    De werkgroep heeft aanbevolen in de Grondwet een bepaling op te nemen op basis waarvan de Europese Raad met eenparigheid van stemmen kan besluiten het gebruik, door de Raad, van stemming bij gekwalificeerde meerderheid uit te breiden tot andere gebieden van het GBVB dan de in het constitutioneel verdrag genoemde.

P.M. Er zij gememoreerd dat de specifieke bepalingen van het GBVB de bepalingen betreffende andere beleidsvormen en beleidsterreinen van het externe optreden onverlet laten. Titel B van deel II van de Grondwet bepaalt voor ieder beleid of beleidsterrein van het extern optreden de besluitvormingsprocedure, de instrumenten, het initiatiefrecht, alsmede de rol van de verschillende actoren.

P.M. Het GBVB valt niet onder de rechtsmacht van het Hof van Justitie. De gebieden waarop het Hof bevoegd is, zullen in een ander artikel van de Grondwet worden aangegeven. Derhalve is het niet noodzakelijk in een artikel betreffende het GBVB te bepalen dat door het Hof geen rechterlijke toetsing wordt uitgeoefend. Het verdrag voorziet daarentegen wel in een politieke toetsing op de uitvoering van het GBVB, die door de Raad wordt verricht. De desbetreffende bepalingen worden opgenomen in deel II van de Grondwet.

2003
  • 1. 
    De Europese Unie voert een gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid dat is gebaseerd op de ontwikkeling van de wederzijdse politieke solidariteit van de lidstaten, de inventarisatie van aangelegenheden van algemeen belang en de totstandbrenging van een steeds toenemende mate van convergentie van het optreden van de lidstaten.
  • 2. 
    De Europese Raad bepaalt welke de strategische belangen van de Unie zijn en stelt de doelstellingen van haar gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid vast. De Raad van Ministers gaat bij het opstellen van dit beleid te werk in het kader van de door de Europese Raad vastgestelde strategische beleidslijnen en volgens het bepaalde in deel III van de Grondwet.
  • 4. 
    Dit gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid wordt uitgevoerd door de minister van Buitenlandse Zaken van de Unie en door de lidstaten, die daarbij gebruik maken van de middelen waarover de lidstaten en de Unie beschikken.
  • 5. 
    De lidstaten overleggen in de Raad en in de Europese Raad over elke aangelegenheid van algemeen belang op het gebied van het buitenlands en veiligheidsbeleid met het oog op het vaststellen van een gemeenschappelijke aanpak. Iedere lidstaat overlegt met de andere lidstaten in de Raad of in de Europese Raad alvorens internationaal op te treden of verbintenissen aan te gaan die de belangen van de Unie kunnen schaden. De lidstaten zorgen er door middel van een onderling afgestemd en convergent optreden voor dat de Unie haar belangen en waarden op het internationale toneel kan doen gelden. De lidstaten zijn onderling solidair.
  • 6. 
    Het Europees Parlement wordt regelmatig geraadpleegd over de voornaamste aspecten en de fundamentele keuzen op het gebied van het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid, en het wordt op de hoogte gehouden van de ontwikkeling daarvan.
  • 7. 
    Besluiten op het gebied van het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid worden door de Europese Raad en de Raad van Ministers met eenparigheid van stemmen aangenomen, behalve in de in deel III van de Grondwet bedoelde gevallen. Zij spreken zich uit op voorstel van een lidstaat, van de minister van Buitenlandse Zaken van de Unie, of van de minister met steun van de Commissie. De Europese wetten en kaderwetten kunnen geen rechtsinstrument zijn.
  • 8. 
    De Europese Raad kan met eenparigheid van stemmen besluiten dat de Raad ook in andere dan de in deel III van de Grondwet bedoelde gevallen met gekwalificeerde meerderheid besluit.
2003
  • 1. 
    De Europese Unie voert een gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid dat berust op de ontwikkeling van de wederzijdse politieke solidariteit van de lidstaten, de vaststelling van aangelegenheden die van algemeen belang zijn en de totstandbrenging van een steeds toenemende convergentie van het optreden van de lidstaten.
  • 2. 
    De Europese Raad bepaalt welke de strategische belangen van de Unie zijn en stelt de doelstellingen van haar gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid vast. De Raad van Ministers gaat bij het opstellen van dit beleid te werk in het kader van de door de Europese Raad vastgestelde strategische beleidslijnen en volgens het bepaalde in deel III.
  • 3. 
    De Europese Raad en de Raad van Ministers stellen de noodzakelijke besluiten vast.
  • 4. 
    Het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid wordt uitgevoerd door de minister van Buitenlandse Zaken van de Unie en door de lidstaten, die daarbij gebruik maken van de middelen waarover de lidstaten en de Unie beschikken.
  • 5. 
    De lidstaten overleggen in de Europese Raad en in de Raad van Ministers over iedere aangelegenheid van algemeen belang op het gebied van het buitenlands en veiligheidsbeleid met het oog op het vaststellen van een gemeenschappelijke aanpak. Iedere lidstaat overlegt met de andere lidstaten in de Europese Raad of in de Raad van Ministers alvorens internationaal op te treden of verbintenissen aan te gaan die de belangen van de Unie kunnen schaden. De lidstaten zorgen er door middel van een onderling afgestemd en convergent optreden voor dat de Unie haar belangen en waarden op het internationale toneel kan doen gelden. De lidstaten zijn onderling solidair.
  • 6. 
    Het Europees Parlement wordt regelmatig geraadpleegd over de voornaamste aspecten en de fundamentele keuzen op het gebied van het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid, en het wordt op de hoogte gehouden van de ontwikkeling daarvan.
  • 7. 
    Europese besluiten op het gebied van het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid worden door de Europese Raad en de Raad van Ministers met eenparigheid van stemmen vastgesteld, behalve in de in deel III bedoelde gevallen. Zij spreken zich uit op voorstel van een lidstaat, van de minister van Buitenlandse Zaken van de Unie, of van deze minister met steun van de Commissie. De Europese wetten en kaderwetten zijn uitgesloten.
  • 8. 
    De Europese Raad kan met eenparigheid van stemmen besluiten dat de Raad van Ministers ook in andere dan de in deel III bedoelde gevallen met gekwalificeerde meerderheid besluit.
2003
  • 1. 
    De Europese Unie voert een gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid dat berust op de ontwikkeling van de wederzijdse politieke solidariteit van de lidstaten, de vaststelling van aangelegenheden die van algemeen belang zijn en de totstandbrenging van een steeds toenemende convergentie van het optreden van de lidstaten.
  • 2. 
    De Europese Raad bepaalt welke de strategische belangen van de Unie zijn en stelt de doelstellingen van haar gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid vast. De Raad stelt dit beleid op binnen het bestek van de door de Europese Raad vastgestelde strategische beleidslijnen en volgens het bepaalde in deel III.
  • 3. 
    De Europese Raad en de Raad stellen de noodzakelijke besluiten vast.
  • 4. 
    Het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid wordt uitgevoerd door de minister van Buitenlandse Zaken van de Unie en door de lidstaten, die daarbij gebruik maken van de middelen waarover de lidstaten en de Unie beschikken.
  • 5. 
    De lidstaten overleggen in de Europese Raad en in de Raad over iedere aangelegenheid van algemeen belang op het gebied van het buitenlands en veiligheidsbeleid met het oog op het vaststellen van een gemeenschappelijke aanpak. Iedere lidstaat overlegt met de andere lidstaten in de Europese Raad of in de Raad alvorens internationaal op te treden of verbintenissen aan te gaan die de belangen van de Unie kunnen schaden.

    De lidstaten zorgen er door middel van een onderling afgestemd en convergent optreden voor dat de Unie haar belangen en haar waarden op het internationale toneel kan doen gelden. De lidstaten zijn onderling solidair.

  • 6. 
    Het Europees Parlement wordt regelmatig geraadpleegd over de voornaamste aspecten en de fundamentele keuzen op het gebied van het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid. Het wordt op de hoogte gehouden van de ontwikkeling daarvan.
  • 7. 
    Europese besluiten op het gebied van het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid worden door de Europese Raad en door de Raad met eenparigheid van stemmen vastgesteld, behalve in de in deel III bedoelde gevallen. Zij spreken zich uit op initiatief van een lidstaat, op voorstel van de minister van Buitenlandse Zaken van de Unie, of op voorstel van deze minister met steun van de Commissie. Europese wetten en kaderwetten zijn uitgesloten.
  • 8. 
    De Europese Raad kan, met eenparigheid van stemmen, een Europees besluit vaststellen dat bepaalt dat de Raad ook in andere dan de in Deel III bedoelde gevallen met gekwalificeerde meerderheid besluit.
2004
  • 1. 
    De Europese Unie voert een gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid dat berust op de ontwikkeling van de wederzijdse politieke solidariteit van de lidstaten, de bepaling van de aangelegenheden van algemeen belang en de totstandbrenging van een steeds toenemende convergentie van het optreden van de lidstaten.
  • 2. 
    De Europese Raad bepaalt wat de strategische belangen van de Unie zijn en stelt de doelstellingen van haar gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid vast. De Raad geeft invulling aan dit beleid binnen de door de Europese Raad vastgestelde strategische beleidslijnen en overeenkomstig deel III.
  • 3. 
    De Europese Raad en de Raad stellen de nodige Europese besluiten vast.
  • 4. 
    Het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid wordt uitgevoerd door de minister van Buitenlandse Zaken van de Unie en door de lidstaten, die daarbij gebruik maken van de middelen waarover de lidstaten en de Unie beschikken.
  • 5. 
    De lidstaten overleggen in de Europese Raad en in de Raad over iedere aangelegenheid van algemeen belang op het gebied van het buitenlands en veiligheidsbeleid teneinde een gemeenschappelijke aanpak vast te stellen. Iedere lidstaat overlegt met de andere lidstaten in de Europese Raad of in de Raad alvorens internationaal op te treden of verbintenissen aan te gaan die gevolgen kunnen hebben voor de belangen van de Unie. De lidstaten dragen er door onderlinge afstemming van hun optreden zorg voor dat de Unie haar belangen en haar waarden op het internationale toneel kan doen gelden. De lidstaten zijn onderling solidair.
  • 6. 
    Op het gebied van het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid stellen de Europese Raad en de Raad met eenparigheid van stemmen Europese besluiten vast, behalve in de in deel III genoemde gevallen. Zij spreken zich uit op initiatief van een lidstaat, op voorstel van de minister van Buitenlandse Zaken van de Unie, of op voorstel van deze minister met steun van de Commissie. Er kunnen geen Europese wetten of kaderwetten worden vastgesteld.
  • 7. 
    De Europese Raad kan met eenparigheid van stemmen bij Europees besluit bepalen dat de Raad in andere dan de in deel III genoemde gevallen met gekwalificeerde meerderheid van stemmen besluit.
  • 8. 
    Het Europees Parlement wordt regelmatig geraadpleegd over de voornaamste aspecten en de fundamentele keuzen op het gebied van het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid. Het wordt geïnformeerd over de evolutie daarvan.