Artikel III-263: De Rechtbank

III-262
Artikel III-263
III-264
  • 1. 
    De Rechtbank is bevoegd in eerste aanleg kennis te nemen van de in de artikelen III-270, III-272, III-275, III-277 en III-279, bedoelde beroepen, met uitzondering van de beroepen waarvan een gespecialiseerde rechtbank kennis neemt en die waarvan de kennisneming overeenkomstig het statuut aan het Europees Hof van Justitie is voorbehouden. Het statuut kan bepalen dat de Rechtbank bevoegd is kennis te nemen van andere categorieën van beroepen.

    Tegen de beslissingen die de Rechtbank op grond van dit lid geeft, kan bij het Europees Hof van Justitie een tot rechtsvragen beperkte hogere voorziening worden ingesteld, op de wijze en binnen de grenzen die in het statuut van het Hof van Justitie worden bepaald.

  • 2. 
    De Rechtbank is bevoegd kennis te nemen van de beroepen die worden ingesteld tegen beslissingen van de krachtens artikel III-264 ingestelde gespecialiseerde rechtbanken. De beslissingen die de Rechtbank op grond van dit lid geeft, kunnen op de wijze en binnen de grenzen die in het statuut worden bepaald, bij uitzondering door het Europees Hof van Justitie worden heroverwogen, indien er een ernstig gevaar bestaat dat de eenheid of de samenhang van het recht van de Unie wordt aangetast.
  • 3. 
    De Rechtbank is bevoegd kennis te nemen van prejudiciële vragen die worden voorgelegd krachtens artikel III-274 en beperkt blijven tot specifieke, in het statuut van het Hof van Justitie bepaalde aangelegenheden.

    Wanneer de Rechtbank van oordeel is dat in een zaak een principiële beslissing moet worden genomen die van invloed kan zijn op de eenheid of de samenhang van het recht van de Unie, kan hij de zaak naar het Europees Hof van Justitie verwijzen voor een uitspraak.

    De beslissingen die de Rechtbank over prejudiciële vragen geeft, kunnen op de wijze en binnen de grenzen die in het statuut worden bepaald, bij uitzondering door het Europees Hof van Justitie worden heroverwogen, indien er een ernstig gevaar bestaat dat de eenheid of de samenhang van het recht van de Unie wordt aangetast.

1.

Ontwikkeling artikel

2003
  • 1. 
    De Rechtbank is bevoegd in eerste aanleg kennis te nemen van de in de [vroegere artikelen 230, 232, 235, 236 en 238] bedoelde beroepen, met uitzondering van die waarvoor een gespecialiseerde rechtbank bevoegd is en die welke overeenkomstig het statuut aan het Hof van Justitie zijn voorbehouden. Het statuut kan bepalen dat de Rechtbank bevoegd is voor andere categorieën van beroepen.

    Tegen de beslissingen die de Rechtbank op grond van dit lid geeft, kan bij het Hof van Justitie een tot rechtsvragen beperkte hogere voorziening worden ingesteld, op de wijze en binnen de grenzen die in het statuut worden bepaald.

  • 2. 
    De Rechtbank is bevoegd kennis te nemen van de beroepen die worden ingesteld tegen de beslissingen van de krachtens [het vroegere artikel 225 A] ingestelde gespecialiseerde rechtbanken.

    De beslissingen die de Rechtbank op grond van dit lid geeft, kunnen op de wijze en binnen de grenzen die in het statuut worden bepaald, bij uitzondering door het Hof van Justitie worden heroverwogen, indien er een ernstig gevaar bestaat dat de eenheid of de samenhang van het recht van de Unie wordt aangetast.

  • 3. 
    De Rechtbank is bevoegd kennis te nemen van prejudiciële vragen die worden voorgelegd uit hoofde van [het vroegere artikel 234] en beperkt blijven tot specifieke, in het statuut bepaalde aangelegenheden.

    Wanneer de Rechtbank van oordeel is dat in een zaak een principiële beslissing moet worden genomen die van invloed kan zijn op de eenheid of de samenhang van het recht van de Unie, kan hij de zaak naar het Hof van Justitie verwijzen voor een uitspraak.

    De beslissingen die de Rechtbank over prejudiciële vragen geeft, kunnen op de wijze en binnen de grenzen die in het statuut worden bepaald, bij uitzondering door het Hof van Justitie worden heroverwogen, indien er een ernstig gevaar bestaat dat de eenheid of de samenhang van het recht van de Unie wordt aangetast.

2003
  • 1. 
    De Rechtbank is bevoegd in eerste aanleg kennis te nemen van de in de artikelen III-270, III-272, III-275, III-277 en III-279, bedoelde beroepen, met uitzondering van de beroepen waarvan een gespecialiseerde rechtbank kennis neemt en die waarvan de kennisneming overeenkomstig het statuut aan het Europees Hof van Justitie is voorbehouden. Het statuut kan bepalen dat de Rechtbank bevoegd is kennis te nemen van andere categorieën van beroepen.

    Tegen de beslissingen die de Rechtbank op grond van dit lid geeft, kan bij het Europees Hof van Justitie een tot rechtsvragen beperkte hogere voorziening worden ingesteld, op de wijze en binnen de grenzen die in het statuut van het Hof van Justitie worden bepaald.

  • 2. 
    De Rechtbank is bevoegd kennis te nemen van de beroepen die worden ingesteld tegen beslissingen van de krachtens artikel III-264 ingestelde gespecialiseerde rechtbanken. De beslissingen die de Rechtbank op grond van dit lid geeft, kunnen op de wijze en binnen de grenzen die in het statuut worden bepaald, bij uitzondering door het Europees Hof van Justitie worden heroverwogen, indien er een ernstig gevaar bestaat dat de eenheid of de samenhang van het recht van de Unie wordt aangetast.
  • 3. 
    De Rechtbank is bevoegd kennis te nemen van prejudiciële vragen die worden voorgelegd krachtens artikel III-274 en beperkt blijven tot specifieke, in het statuut van het Hof van Justitie bepaalde aangelegenheden.

    Wanneer de Rechtbank van oordeel is dat in een zaak een principiële beslissing moet worden genomen die van invloed kan zijn op de eenheid of de samenhang van het recht van de Unie, kan hij de zaak naar het Europees Hof van Justitie verwijzen voor een uitspraak.

    De beslissingen die de Rechtbank over prejudiciële vragen geeft, kunnen op de wijze en binnen de grenzen die in het statuut worden bepaald, bij uitzondering door het Europees Hof van Justitie worden heroverwogen, indien er een ernstig gevaar bestaat dat de eenheid of de samenhang van het recht van de Unie wordt aangetast.

2003
  • 1. 
    De Rechtbank is bevoegd in eerste aanleg kennis te nemen van de in de artikelen III-270, III-272, III-275, III-277 en III-279, bedoelde beroepen, met uitzondering van de beroepen waarvan een gespecialiseerde rechtbank kennis neemt en die waarvan de kennisneming overeenkomstig het statuut aan het Hof van Justitie is voorbehouden. Het statuut kan bepalen dat de Rechtbank bevoegd is kennis te nemen van andere categorieën van beroepen.

    Tegen de beslissingen die de Rechtbank op grond van dit lid geeft, kan bij het Hof van Justitie een tot rechtsvragen beperkte hogere voorziening worden ingesteld, op de wijze en binnen de grenzen die in het statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie worden bepaald.

  • 2. 
    De Rechtbank is bevoegd kennis te nemen van de beroepen die worden ingesteld tegen beslissingen van de krachtens artikel III-264 ingestelde gespecialiseerde rechtbanken.

    De beslissingen die de Rechtbank op grond van dit lid geeft, kunnen op de wijze en binnen de grenzen die in het statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie worden bepaald, bij uitzondering door het Hof van Justitie worden heroverwogen, indien er een ernstig gevaar bestaat dat de eenheid of de samenhang van het recht van de Unie wordt aangetast.

  • 3. 
    De Rechtbank is bevoegd kennis te nemen van prejudiciële vragen die worden voorgelegd krachtens artikel III-274 en beperkt blijven tot specifieke, in het statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie bepaalde aangelegenheden.

    Wanneer de Rechtbank van oordeel is dat in een zaak een principiële beslissing moet worden genomen die van invloed kan zijn op de eenheid of de samenhang van het recht van de Unie, kan hij de zaak naar het Hof van Justitie verwijzen voor een uitspraak.

    De beslissingen die de Rechtbank over prejudiciële vragen geeft, kunnen op de wijze en binnen de grenzen die in het statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie worden bepaald, bij uitzondering door het Europees Hof van Justitie worden heroverwogen, indien er een ernstig gevaar bestaat dat de eenheid of de samenhang van het recht van de Unie wordt aangetast.

2004
  • 1. 
    Het Gerecht is bevoegd in eerste aanleg kennis te nemen van de in de artikelen III-365, III-367, III-370, III-372 en III-374 bedoelde beroepen, met uitzondering van de beroepen waarvan de kennisneming is toegedeeld aan een op grond van artikel III-359 ingestelde gespecialiseerde rechtbank, en die waarvan de kennisneming overeenkomstig het statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie aan het Hof van Justitie is voorbehouden. Het statuut kan bepalen dat het Gerecht bevoegd is kennis te nemen van andere categorieën van beroepen.

    Tegen de beslissingen die het Gerecht op grond van dit lid geeft, kan bij het Hof van Justitie een tot rechtsvragen beperkte hogere voorziening worden ingesteld, op de wijze en binnen de grenzen die in het statuut worden bepaald.

  • 2. 
    Het Gerecht is bevoegd kennis te nemen van de beroepen die worden ingesteld tegen beslissingen van de gespecialiseerde rechtbanken.

    De beslissingen die het Gerecht op grond van dit lid geeft, kunnen op de wijze en binnen de grenzen die in het statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie worden bepaald, bij uitzondering door het Hof van Justitie worden heroverwogen, indien er een ernstig gevaar bestaat dat de eenheid of de samenhang van het recht van de Unie wordt aangetast.

  • 3. 
    Het Gerecht is bevoegd kennis te nemen van prejudiciële vragen die worden voorgelegd krachtens artikel III-369, met betrekking tot specifieke, in het statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie bepaalde aangelegenheden.

    Wanneer het Gerecht van oordeel is dat in een zaak een principiële beslissing moet worden genomen die van invloed kan zijn op de eenheid of de samenhang van het recht van de Unie, kan het de zaak naar het Hof van Justitie verwijzen voor een uitspraak.

    De beslissingen die het Gerecht over prejudiciële vragen geeft, kunnen op de wijze en binnen de grenzen die in het statuut worden bepaald, bij uitzondering door het Hof van Justitie worden heroverwogen, indien er een ernstig gevaar bestaat dat de eenheid of de samenhang van het recht van de Unie wordt aangetast.