Artikel 14: Tijdpad verlaging onderlinge invoerrechten

13
Artikel 14
15
  • 1. 
    Voor ieder produkt is het basisrecht waarop de achtereenvolgende verlagingen moeten worden toegepast, het op 1 januari 1957 toegepaste recht.
  • 2. 
    Het ritme der verlagingen, is als volgt bepaald
    • a) 
      tijdens de eerste etappe wordt de eerste verlaging een jaar na de inwerkingtreding van dit Verdrag tot stand gebracht; de tweede verlaging achttien maanden later; de derde aan het einde van het vierde jaar te rekenen van de inwerkingtreding van dit Verdrag;
    • b) 
      tijdens de tweede etappe wordt achttien maanden na het begin daarvan een verlaging toegepast; een tweede verlaging volgt achttien maanden na de voorgaande; een derde verlaging komt een jaar later tot stand;
    • c) 
      de dan nog tot stand te brengen verlagingen geschieden in de loop van de derde etappe; de Raad bepaalt het ritme daarvan bij wege van richtlijnen welke hij met gekwalificeerde meerderheid van stemmen op voorstel van de Commissie vaststelt.
  • 3. 
    Bij de eerste verlaging wordt tussen de Lid-Staten onderling voor elk produkt een recht, gelijk aan het basisrecht verminderd met 10%, toegepast.

    Bij iedere volgende verlaging dient elke Lid-Staat al zijn rechten zodanig te verlagen, dat de totale opbrengst der rechten, in lid 4 omschreven, met 10% wordt verminderd met dien verstande dat voor elk der produkten de verlaging ten minste 5% van het basisrecht dient te bedragen.

    Voor die produkten waarop het recht dan nog hoger dan 30% zou zijn, dient echter iedere verlaging ten minste 10% van het basisrecht te bedragen.

  • 4. 
    Voor elke Lid-Staat wordt de in lid 3 bedoelde totale opbrengst der rechten berekend door de waarde der tijdens het jaar 1956 uit de overige Lid-Staten ingevoerde goederen te vermenigvuldigen met de basisrechten.
  • 5. 
    De bijzondere vraagstukken welke zich bij de toepassing van de voorgaande leden voordoen, worden geregeld door richtlijnen welke de Raad met gekwalificeerde meerderheid van stemmen op voorstel van de Commissie vaststelt.
  • 6. 
    De Lid-Staten brengen aan de Commissie verslag uit van de wijze waarop bovenstaande regels voor de verlaging der rechten worden toegepast. Zij streven ernaar dat de verlaging der rechten op elk produkt de volgende percentages bereikt
    • aan het einde van de eerste etappe, ten minste 25% van het basisrecht,
    • aan het einde van de tweede etappe, ten minste 50% van het basisrecht.

    De Commissie doet de Lid-Staten alle dienstige aanbevelingen indien zij vaststelt dat er gevaar bestaat dat de bij artikel 13 bepaalde doelstellingen en de in dit lid vastgestelde percentages niet kunnen worden bereikt.

  • 7. 
    De bepalingen van dit artikel kunnen op voorstel van de Commissie en na raadpleging van de Vergadering door de Raad met eenparigheid van stemmen worden gewijzigd.

Inhoudsopgave van deze pagina:

1.

Toelichting Nederlandse regering

Dit artikel geeft uitvoerig het mechanisme van de verlaging der tarieven in het onderlinge verkeer aan. Uitgegaan wordt daarbij van de op 1 januari 1957 toegepaste rechten. Bij de berekening van de perceptie, welke een rol kan spelen vanaf de tweede verlaging, wordt ten aanzien van de in aanmerking te nemen invoerhoeveelheden uitgegaan van het jaar 1956.

2.

Afbraak der onderlinge tarieven en restricties

Het in het Verdrag neergelegde systeem voor de opheffing der onderlinge grensbelemmeringen komt in het kort hierop neer.

De in het onderling verkeer geheven invoerrechten worden gedurende de overgangsperiode geleidelijk afgeschaft op een wijze, welke, althans voor de beide eerste etappen, is vastgelegd in artikel 14. Dit afbraaksysteem komt neer op een periodieke verlaging met 10 pct., waarbij na twee etappen, in beginsel dus na acht jaar, 6 verlagingen hebben plaatsgevonden. Het systeem voor de laatste etappe, waarin de resterende 40 pct. moet worden afgebroken, zal nog moeten worden vastgesteld door de Raad, welke daarbij met gekwalificeerde meerderheid beslist op voorstel van de Commissie.

3.

Overgangsperiode

Zowel de afbraak der onderlinge restricties als de vervanging van nationale regelingen door Gemeenschapsregelingen zal zeer geleidelijk geschieden. Hiervoor is een overgangsperiode van 12 à 15 jaar voorzien. Deze periode moet ruimschoots voldoende worden geacht voor de verschillende bedrijven en bedrijfstakken om zich, waar nodig, om te schakelen en aan te passen en tevens om de noodzakelijke Gemeenschapsregelingen te ontwerpen en in te voeren.

Deze overgangsperiode zal verdeeld zijn in drie etappes, elk van 4 jaar. Aangezien de absolute eindtermijn voor de overgangsperiode 15 jaar zal zijn, kunnen de verschillende etappes dus te zamen maximaal met drie jaar worden verlengd. De wijze, waarop deze verlenging kan geschieden, wordt geregeld in artikel 8. Deze regeling komt erop neer, dat de overgang van de tweede naar de derde etappe en van de derde etappe naar de definitieve eindfase automatisch zal plaatsvinden, tenzij de Raad van Ministers op voorstel van de Europese Commissie met unanimiteit anders beslist (artikel 8, lid 5).

Voor de overgang van de eerste naar de tweede etappe, dus na vier jaar, is een meer gecompliceerde en in beginsel andere regeling voorzien (artikel 8, leden 3 en 4). Hier is namelijk een unanieme beslissing van de Raad nodig om de overgang wèl te doen plaatsvinden. De overgang van de eerste naar de tweede etappe vindt eerst, plaats, indien de Raad, op basis van een rapport van de Europese Commissie, constateert, dat de essentie van de doeleinden, welke in het Verdrag zijn neergelegd voor de eerste etappe, zijn bereikt en de verplichtingen voor deze etappe door de Lid-Staten zijn nagekomen. Deze overgang naar de tweede etappe kan zodoende door één land worden tegengehouden. Dit kan echter maximaal gedurende twee jaar. Na het tweede jaar zal een gekwalificeerde meerderheidsbeslissing voldoende zijn, zij het dat de overstemde Staat of Staten een beroep kunnen doen op arbitrage.

4.

Verband met de instelling van de douane-unie

Het effect van het verlengen van de eerste etappe zal zijn dat verschillende voorzieningen en maatregelen, bestemd om te worden gerealiseerd in de tweede etappe, worden uitgesteld. De derde tariefverlaging vindt dus wel plaats (artikel 14, lid 2), de vierde wordt uitgesteld; de vierde contingentenvergroting vindt wel plaats, de vijfde wordt uitgesteld (artikel 33, lid 1, laatste alinea); de eerste etappe van het gemeenschappelijke buitentarief wordt gerealiseerd (artikel 23, lid 1), de volgende etappe uitgesteld.

Aangezien de Lid-Staten bij de invoering van het gemeenschappelijk douanetarief in het algemeen geen verschil zullen kunnen maken tussen de verschillende posten, terwijl dat bij de afbraak van de tarieven tussen de Staten wel het geval is (zie artikel 14), zouden discrepanties kunnen ontstaan. Om daarin te voorzien, is de vrijwaringsbepaling van artikel 26 geschreven.