Artikel 227: Territoriaal toepassingsgebied

226
Artikel 227
228
  • 1. 
    Dit Verdrag is van toepassing op het Koninkrijk België, de Bondsrepubliek Duitsland, de Franse Republiek, de Italiaanse Republiek, het Groothertogdom Luxemburg en het Koninkrijk der Nederlanden.
  • 2. 
    Ten aanzien van Algerië en de Franse overzeese departementen zijn zodra dit Verdrag in werking treedt van toepassing de bijzondere en algemene bepalingen daarvan betreffende
    • het vrije verkeer van goederen,
    • de landbouw, met uitzondering van artikel 40, lid 4,
    • de vrijmaking van het dienstenverkeer,
    • de regels voor de mededinging,
    • de vrijwaringsmaatregelen bedoeld in de artikelen 108, 109 en 226,
    • de instellingen.

    De voorwaarden voor de toepassing van de overige bepalingen van dit Verdrag worden uiterlijk twee jaar na zijn inwerkingtreding bij beschikkingen van de Raad met eenparigheid van stemmen op voorstel van de Commissie vastgesteld.

    De instellingen van de Gemeenschap dragen er, binnen het raam van de procedures waarin dit Verdrag voorziet, met name van artikel 226, zorg voor dat de economische en sociale ontwikkeling van die streken mogelijk wordt gemaakt.

  • 3. 
    De landen en gebieden overzee waarvan de lijst als bijlage IV aan dit Verdrag is gehecht, vormen het onderwerp van de bijzondere associatieregeling omschreven in het vierde deel van dit Verdrag.
  • 4. 
    De bepalingen- van dit Verdrag zijn van toepassing op de Europese grondgebieden welker buitenlandse betrekkingen door een Lid-Staat worden behartigd.

Inhoudsopgave van deze pagina:

1.

Toelichting Nederlandse regering

Zoals in de [toelichting bij artikel 131] reeds werd vermeld, valt Algerije niet onder de overzeese gebieden. Zowel Algerije als de gebieden, behorende tot de "départements d'outre-mer" (d.o.m.) vormen in dit Verdrag een deel van het Franse moederland. De Franse Regering is eerst op het laatste ogenblik met dit voorstel gekomen, dat staatsrechtelijk natuurlijk juist is en dat overigens, gezien de discussies in de Verenigde Naties, politiek ook voor de hand ligt.

Aangezien Algerije echter materieel economisch niet met het moederland Frankrijk op één lijn kan worden gesteld, is in artikel 227 vastgelegd, dat sommige bepalingen van het Verdrag wel voor Algerije en de d.o.m. gelden, doch andere niet. Zo zullen de bepalingen inzake de vrijheid van het goederen- en dienstenverkeer ook voor Algerije en de d.o.m. gelden. Voorts zullen de concurrentieregels, vervat in Hoofdstuk I van Titel 1 van het Derde Deel van het Verdrag, voor deze gebieden gelden. Voorts mag voor deze gebieden een beroep gedaan worden op de algemene clause de sauvegarde, voorzien in artikel 226, en de beide clauses de sauvegarde in het geval van betalingsbalansmoeilijkheden, voorzien in de artikelen 108 en 109. In hoeverre de andere verdragsbepalingen, dus o.a. die inzake de vrijheid van het personen- en kapitaalverkeer en inzake het sociale fonds en de Investeringsbank, van toepassing zullen zijn op Algiers en de d.o.m., zal nader worden vastgesteld door eenstemmige beslissing van de Raad op voorstel van de Commissie (artikel 227, lid 2).

Zelfstandige en autonome overzeese gebieden

In een viertal Intentieverklaringen, opgenomen in de Slotakte, resp. betrekking hebbend op de landen, behorend tot de zone van de Franse frank, Libië en Somaliland en Suriname en de Nederlandse Antillen, verklaren de Lid-Staten zich bereid na de inwerkingtreding van het Verdrag onderhandelingen te openen over de afsluiting van speciale associatieconventies met die gebieden.

In een afzonderlijk Protocol, dat op deze gebieden betrekking heeft, is voorts overeengekomen, dat de inwerkingtreding van het Verdrag op zich zelf geen enkele wijziging brengt in het speciale douaneregime, dat deze gebieden zouden hebben met bepaalde Lid-Staten. De Benelux zal dus behoudens hetgeen nader zou worden geregeld in de voorziene speciale conventies - het voorkeursregime ten aanzien van een aantal soorten zuidvruchten en enkele andere produkten uit Suriname kunnen voortzetten. Wel brengt dit mede, dat deze produkten dan niet kunnen worden beschouwd als te zijn gebracht in het vrije verkeer binnen de Gemeenschap. De andere Lid-Staten mogen deze produkten dus aan de binnengrens belasten als kwamen zij uit derde landen.

2.

Ontwikkeling artikel

1957
  • 1. 
    Dit Verdrag is van toepassing op het Koninkrijk België, de Bondsrepubliek Duitsland, de Franse Republiek, de Italiaanse Republiek, het Groothertogdom Luxemburg en het Koninkrijk der Nederlanden.
  • 2. 
    Ten aanzien van Algerië en de Franse overzeese departementen zijn zodra dit Verdrag in werking treedt van toepassing de bijzondere en algemene bepalingen daarvan betreffende
    • het vrije verkeer van goederen,
    • de landbouw, met uitzondering van artikel 40, lid 4,
    • de vrijmaking van het dienstenverkeer,
    • de regels voor de mededinging,
    • de vrijwaringsmaatregelen bedoeld in de artikelen 108, 109 en 226,
    • de instellingen.

    De voorwaarden voor de toepassing van de overige bepalingen van dit Verdrag worden uiterlijk twee jaar na zijn inwerkingtreding bij beschikkingen van de Raad met eenparigheid van stemmen op voorstel van de Commissie vastgesteld.

    De instellingen van de Gemeenschap dragen er, binnen het raam van de procedures waarin dit Verdrag voorziet, met name van artikel 226, zorg voor dat de economische en sociale ontwikkeling van die streken mogelijk wordt gemaakt.

  • 3. 
    De landen en gebieden overzee waarvan de lijst als bijlage IV aan dit Verdrag is gehecht, vormen het onderwerp van de bijzondere associatieregeling omschreven in het vierde deel van dit Verdrag.
  • 4. 
    De bepalingen- van dit Verdrag zijn van toepassing op de Europese grondgebieden welker buitenlandse betrekkingen door een Lid-Staat worden behartigd.
2002
  • 1. 
    Dit Verdrag is van toepassing op het Koninkrijk België, het Koninkrijk Denemarken, de Bondsrepubliek Duitsland, de Helleense Republiek, het Koninkrijk Spanje, de Franse Republiek, Ierland, de Italiaanse Republiek, het Groothertogdom Luxemburg, het Koninkrijk der Nederlanden, de Republiek Oostenrijk, de Portugese Republiek, de Republiek Finland, het Koninkrijk Zweden en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland.
  • 2. 
    De bepalingen van dit Verdrag zijn van toepassing op de Franse overzeese departementen, de Azoren, Madeira en de Canarische Eilanden.

    Gezien de structurele economische en sociale situatie van de Franse overzeese departementen, de Azoren, Madeira en de Canarische Eilanden, die wordt bemoeilijkt door de grote afstand, het insulaire karakter, de kleine oppervlakte, een moeilijk reliëf en klimaat en de economische afhankelijkheid van enkele producten, welke factoren door hun blijvende en cumulatieve karakter de ontwikkeling van deze gebieden ernstig schaden, neemt de Raad evenwel met gekwalificeerde meerderheid van stemmen op voorstel van de Commissie en na raadpleging van het Europees Parlement specifieke maatregelen aan die er met name op gericht zijn de voorwaarden voor de toepassing van dit Verdrag, met inbegrip van gemeenschappelijk beleid, op deze gebieden vast te stellen.

    Bij de aanneming van de in de tweede alinea bedoelde maatregelen houdt de Raad rekening met zaken als het douane- en handelsbeleid, het fiscale beleid, vrijhandelszones, het landbouw- en visserijbeleid, voorwaarden voor het aanbod van grondstoffen en essentiële consumptiegoederen, staatssteun en de voorwaarden voor toegang tot de structuurfondsen en tot horizontale Gemeenschapsprogramma's.

    De Raad neemt de in de tweede alinea bedoelde maatregelen aan, rekening houdend met de bijzondere kenmerken en beperkingen van de ultraperifere gebieden en zonder afbreuk te doen aan de integriteit en de samenhang van de communautaire rechtsorde, met inbegrip van de interne markt en het gemeenschappelijk beleid.

  • 3. 
    De landen en gebieden overzee waarvan de lijst als bijlage II aan dit Verdrag is gehecht, vormen het onderwerp van de bijzondere associatieregeling omschreven in het vierde deel van dit Verdrag.

    Dit Verdrag is niet van toepassing op de landen en gebieden overzee die met het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland bijzondere betrekkingen onderhouden, die niet op bovengenoemde lijst voorkomen.

  • 4. 
    De bepalingen van dit Verdrag zijn van toepassing op de Europese grondgebieden welker buitenlandse betrekkingen door een lidstaat worden behartigd.
  • 5. 
    De bepalingen van dit Verdrag zijn van toepassing op de Ålandseilanden, overeenkomstig Protocol nr. 2 bij de Akte betreffende de toetredingsvoorwaarden van de Republiek Oostenrijk, de Republiek Finland en het Koninkrijk Zweden. (*)
  • 6. 
    In afwijking van de voorgaande leden:
    • a) 
      is dit Verdrag niet van toepassing op de Faeröer; (*)
    • b) 
      is dit Verdrag niet van toepassing op de zones van Cyprus die onder de soevereiniteit van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland vallen; (**)
    • c) 
      zijn de bepalingen van dit Verdrag op de Kanaaleilanden en op het eiland Man slechts van toepassing voorzover noodzakelijk ter verzekering van de toepassing van de regeling die voor deze eilanden is vastgesteld in het op 22 januari 1972 ondertekende Verdrag betreffende de toetreding van nieuwe lidstaten tot de Europese Economische Gemeenschap en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie. (*)