Van de Finantiën

Inhoudsopgave van deze pagina:

56.

Nationale schulden en verbintenissen van het Bataafsche Volk

De schulden en verbintenissen, gemaakt en aangegaan niet alleen door of van wege de Generaliteit en de Bataafsche Republiek, maar ook van wege de onderscheiden Provintiën, de drie quartieren van Gelderland, het Landschap Drenthe, en Bataafsch Braband , mitsgaders de Oost-Indische Maatschappy, worden verklaard te blyven Nationale Schulden en Verbintenissen van het Bataafsche Volk. De verwisseling der daar voor afgegevene Rentebrieven, Obligatiën, Recepissen of andere Acten van Verbintenissen, in Nationale Schuldbrieven, wordt zoo veel mogelyk bespoedigd.Er zal geen vermindering plaats hebben, noch van de Hoofdsommen der Schuldbrieven zelve, noch der Interessen en Jaarlyksche Renten.

57.

Belastingheffing

De tegenwoordige Belastingen zullen blyven op den voet zoo als dezelve thans in ieder der voormalige gewesten plaats hebben; zynde echter alle Wetten en Ordonnantiën dienaangaande aan herziening onderworpen, en kunnen dezelve Belastingen by het opleggen van soortgelyke algemeene worden afgeschaft of veranderd: of voor zoo verre die tot bestrijding der Departementale Uitgaven zyn aangewezen, naar gelang van derzelver vermeerdering of vermindering, door de Departementale Bestuuren, worden verhoogd of verlaagd.

58.

Verdeeling Belastingen tussen Nationale Kas en Departementale Kassen

De Wet bepaalt, welke der invoege voorsz. plaatshebbende Belastingen in de Nationale Kas tot goedmaking der Kosten van het Nationaal Bestuur, en welke in de respective Departementale Kassen tot goedmaking der huishoudelijke lasten van ieder Departement gestort zullen worden; zoo dikwyls de laatstgemelde niet toereikende bevonden mogten worden, zal ieder Departement het recht hebben, om, tot styving van deszelfs Kas, zodanige Departementale Belasting te heffen, als hetzelve Departement voor het belang van de Ingezetenen meest raadzaam zal oordeelen. Doch alvorens zodanige Belasting zal kunnen worden ingevoerd, zal het Departementaal Bestuur gehouden zyn, dezelve aan het Staats-Bewind voortedragen, ten einde die door het Wetgevend Lichaam te doen bekrachtigen; welke bekrachtiging niet geweigerd zal mogen worden, dan om redenen, dat de Belasting of wyze van Heffing voor de algemene Belastingen schadelyk zouden zyn, of strydig bevonden worden met de bepalingen in Art. 66 vervat. De Inkomsten der Nationale Kas niet genoegzaam zynde tot goedmaking der gewone Jaarlyksche Uitgaven, legt de Wet, achtereenvolgens Art. 40, nieuwe Belastingen op, welke gelykelyk door alle de Ingezetenen der Republiek naar gelang van derzelver Inkomsten gedragen zullen worden.

59.

Procedure waarmee Staatsbewind begrooting overlegt aan Wetgevend Lichaam

Uiterlyk op den eersten November van ieder Jaar, draagt het Staats-Bewind volgens Art. 40 de Begrooting der benodigde Uitgaven en de middelen tot goedmaking derzelve voor het volgende Jaar aan het Wetgevend Lichaam voor. Op deze Begrooting wordt echter niet gebragt zodanige Somme, als het Wetgevend Lichaam Jaarlyks tot geheime Uitgaven aan het Staats-Bewind zal toestaan. Deze voordragt wordt door hetzelve in besloten Vergadering den tyd van vier weken, in overweging genomen, gedurende welken tyd hetzelve de nodige conferentiën deswegens houdt met het Staats- Bewind. De publieke discussiën vervolgens begonnen zynde, moeten uiterlyk binnen veertien dagen geëindigd en de voordragt vóór of op den 15 December finaal ter Conclusie worden gebragt.

60.

Buitengewone petitie

Ingeval eener buitengewone Petitie kan het Wetgevend Lichaam de voordragt van het Staats-Bewind op dezelfde wijze gedurende veertien dagen in overweging nemen. De discussiën deswegens begonnen zynde worden binnen agt dagen ten einde gebragt.

61.

Algemeene Staat van Ontvangsten en Uitgaven der Nationale Kas

Bij het overgeven der Begrooting, Art. 59 vermeld, wordt tevens eene algemeene Staat van alle Ontvangsten en Uitgaven der Nationale Kas gedurende het afgelopen voorgaande jaar, door het Staats-Bewind aan het Wetgevend Lichaam overgelegd, met byvoeging eener schriftelyke verklaring, door alle de Leden onderteekend, dat van de Penningen tot geheime Uitgaven aan het Staats-Bewind toegestaan, geen ander gebruik gemaakt is dan ten algemeenen nut der Republiek.