Artikel 79: Aantal en herkomst Leden Tweede Kamer

78
Artikel 79
80

Eene dier kamers bestaat uit 110 leden, benoemd door de Staten der Provinciën, te weten: voor

Noord-Braband 7.

Zuid-Braband 8.

Limburg 4.

Gelderland 6.

Luik 6.

Oost-Vlaanderen 10.

West-Vlaanderen 8.

Henegouwen 8.

Holland 22.

Zeeland 3.

Namen 2.

Antwerpen 5.

Utrecht 3.

Vriesland 5.

Overijssel 4.

Groningen 4.

Drenthe 1.

Luxemburg 4.

Leden: 110

Inhoudsopgave van deze pagina:

1.

Toelichting Staatsblad

De verkiezing der leden van de Staten-Generaal is ook bij het nieuwe ontwerp aan de provinciale Staten verbleven: daar deze toch middellijk of onmiddellijk door de natie zelve verkozen worden, zoo zoude het geheel overtollig zijn een ander kieskollegie, ten gemelden einde, opterigten. Het is boven dien geheel overeenkomstig met den geest der grondwet, die zonder aanleiding te geven tot alle de ongelegenheden van eigenlijk gezegde volksvergaderingen, alle de gestelde magten als schakels van eene gemeene keten beschouwd, door van de een tot de andere af te dalen, zelfs eindelijk tot de lagere standen der maatschappij, welke, hoezeer een gering gedeelte in de vervulling der behoeften van den staat bijdragende, echter belang hebben in de nationale vertegenwoordiging (art. 133, 134).

Ten aanzien van het getal der leden, door elke tot de vergadering der Staten-Generaal te benoemen, heeft eenig verschil van gevoelen plaats gehad. Sommige leden der commissie waren van meening, dat daartoe de bevolking als de eenvoudigste, billijkste en zekerste grond in aanmerking komen moest, en bragten vele redenen en voorbeelden bij tot staving van dit gevoelen; anderen dachten, dat de juistheid van dezen grond, en vooral ook deszelfs toepassing op de vereeniging onzer provinciën met klem kon worden tegengesproken, en er wierd wijders aangemerkt dat de buitenlandsche bezittingen, welke de noordelijke provinciën tot moederland hebben, de uitgebreidheid van den handel daaruit geboren, en de millioenen inwoners onder hare regering hebbende, niet gedoogden den grondslag voor de vertegenwoordiging, enkel in de Europeesche bevolking te zoeken; eindelijk dat het eenige middel tot vestiging van eene opregte, en altoosdurende vereeniging tusschen de twee gedeelten van het Rijk was een geheel gelijke vertegenwoordiging van beiden. Met dit gevoelen heeft zich de meerderheid vereenigd.

Het getal van leden uit elk der noordelijke provinciën is hetzelfde gebleven; dat der zuidelijke is op een billijke wijze, en in evenredigheid zoo van het getal der ingezetenen, als van dat der gedeputeerden, door welke zij reeds waren vertegenwoordigd, geregeld (art. 79.)

Dan er is een ander deel der Staten-Generaal, Sire! hetwelk wij meenen dat niet behoort te worden afgewisseld. De vergrooting van den Staat, de rang dien dezelve onder de Volken van Europa bekleedt, de verschillende bestanddeelen waaruitdezelve is zamengesteld, deszelfs meer ingewikkelde belangen maakten ons ten pligt met de ondervinding te rade te gaan.

Ten einde dan alle overijling in de raadpleging te voorkomen, in moeijelijke tijden aan de driften heilzame palen te stellen, den Troon te omringen door een bolwerk, waar tegen alle partijen afstuiten, aan de natie eene volkomen zekerheid te waarborgen tegen alle willekeurige uitbreiding van gezag, oordeelden wij het nuttig, Sire! op het voorbeeld van magtige Rijken en bloeijende Gemeenebesten de Vertegenwoordiging des Volks in twee kamers aftedeelen; wij hebben te dezen aanzien echter geene vreemde instellingen nagevolgd, welke met onze zeden niet waren overeen te brengen; wij hebben de gronden en Wijziging dezer instelling gezocht in het wezenlijk doel van dezelve.

Aan de afdeeling der Staten-Generaal daargesteld met oogmerk om driften en dwalingen van het oogenblik tegen te gaan, is niet toegekend het regt om eenige voorstellen te doen, - zij behoort enkel lijdelijk te wezen, en bepaalt zich alzoo tot de aanneming of verwerping der voorsteHen aan hun gezonden, - voorzichtigheid en wijsheid zijn de groote vereischten in hare leden, - de ontworpen grondwet vordert een ouderdom van 40 jaren.

De grootste waarborg, welken zij aan den Staat kunnen geven, is het groot belang, dat zij zelven bij het algemeen welzijn hebben; - zij worden daarom gekozen uit hen, die door diensten aan den Staat bewezen, door hunne geboorte, of door hun vermogen tot de aanzienlijkste van den lande behooren. - Niets is er bijna, wat elk mensch krachtdadiger zoekt te handhaven, dan persoonlijke achting en aanzien, en de herinnering en de belooning der diensten door hem beweezen: hartelijk dus moet de verkleefdheid zijn aan het Vaderland, van hen, die het aanzijn, dat hij geniet, verschuldigd is aan eenen naam dien zijne voorouders door werkelijke diensten aan het Vaderland verëdeld hebben. - De Bezitters van een groot vermogen, in vaste goederen gevestigd, aan den Staat verstrekt, of nuttiglijk in den handel aangelegd, zullen buiten twijfel zorgvuldig waken, dat geen bron van algemeene welvaart worde gestopt of uitgedroogd.

Om hen eene nuttige onafhankelijkheid te bezorgen, hebben wij voorgedragen dat zij voor hun leven zullen worden aangesteld. - Hunne benoeming staat geheel aan den Koning. De geest der monarchie en het belang der natie vorderen dit om strijd; daardoor bekomt de Vorst op de eerste standen der maatschappij eenen invloed, welks nut zich allerwege verspreid. - Wij hebben ons steeds ten vasten regel uitgekozen, de grondwet overeen te brengen met den waren aard eener gematigde monarchie (art. 80.)

2.

Ontwikkeling artikel

1798

Het geheel Vertegenwoordigend Lichaam bestaat uit zooveele Leden, als er twintig duizend tallen Zielen in de Bataafsche Republiek gevonden worden.

1801

Het Wetgevend Lichaam bestaat uit vijf en dertig Personen, welke voor de eerste maal dadelyk worden benoemd door het Staats-Bewind, geduurende de eerste agt dagen na deszelfs installatie.

1805

De Vergadering van Wetten van Hun Hoog Mogenden bestaat uit negentien Leden, voor den tijd van drie Jaren verkozen, en benoemd door de Leden van de Departementale Besturen in de volgende evenredigheid, te weten

  • Door het Departement Holland, zeven Leden;
  • Door het Departement Zeeland, Een Lid;
  • Door het Departement Utrecht, Een Lid;
  • en door ieder der overige Departementen, Twee Leden.
1806

Het Wetgevend Ligchaam zal bestaan uit Negen-en-dertig Leden, gekozen voor vijf jaren, en benoemd in de volgende evenredigheid:

Van het Departement Holland 17 Leden,

Van het Departement Gelderland 4 Leden,

Van het Departement Braband 4 Leden,

Van het Departement Vriesland 3 Leden,

Van het Departement Overijssel 3 Leden,

Van het Departement Groningen 3 Leden,

Van het Departement Zeeland 2 Leden,

Van het Departement Utrecht 2 Leden,

Van het Landschap Drenthe 1 Leden,

Het getal der Leden van de Vergadering van Hun Hoog Mogenden zal door worden vermeerderd, in geval van vergrooting van Grondgebied.

1814

De vergadering der Staten Generaal bestaat uit vijf en vijftig leden.

Deze worden benoemd door de Staten der bovengemelde Provinciën of Landschappen in de volgende evenredigheid:

Uit Gelderland 6.

Uit Holland 22.

Uit Zeeland 3.

Uit Utrecht 3.

Uit Vriesland 5.

Uit Overijssel 4.

Uit Groningen 4.

Uit Braband 7.

Uit Drenthe 1.

1815

Eene dier kamers bestaat uit 110 leden, benoemd door de Staten der Provinciën, te weten: voor

Noord-Braband 7.

Zuid-Braband 8.

Limburg 4.

Gelderland 6.

Luik 6.

Oost-Vlaanderen 10.

West-Vlaanderen 8.

Henegouwen 8.

Holland 22.

Zeeland 3.

Namen 2.

Antwerpen 5.

Utrecht 3.

Vriesland 5.

Overijssel 4.

Groningen 4.

Drenthe 1.

Luxemburg 4.

Leden: 110

1840

Eene dier kamers bestaat uit 58 leden, benoemd door de Staten der Provinciën, te weten: voor

Noord-Braband 7.

Gelderland 6.

Zuid-Holland 12.

Noord-Holland 10.

Zeeland 3.

Utrecht 3.

Vriesland 5.

Overijssel 4.

Groningen 4.

Drenthe 1.

Hertogdom Limburg 3.

58 leden.

1848

Het getal van de leden der Tweede Kamer wordt bepaald naar de bevolking, voor ieder 45.000 één.

De verdere regels ten aanzien van het kiesregt stelt de kieswet.

1887

De Tweede Kamer bestaat uit honderd leden, die gekozen worden in kiesdistricten.

De verdeeling van het Rijk in kiesdistricten en alles wat verder het kiesregt en de wijze van verkiezing betreft wordt door de wet geregeld.

1917

De Tweede Kamer bestaat uit honderd leden, gekozen op den grondslag van evenredige vertegenwoordiging.

Alles wat verder het kiesrecht en de wijze van verkiezing betreft, wordt door de wet geregeld.

1922: art 82
1938

De Tweede Kamer bestaat uit honderd leden, gekozen op den grondslag van evenredige vertegenwoordiging binnen door de wet te stellen grenzen.

Alles wat verder het kiesrecht en de wijze van verkiezing betreft, wordt door de wet geregeld.

1948: art 84, 1953: art 91
1956

De Tweede Kamer bestaat uit honderd en vijftig leden, gekozen op de grondslag van evenredige vertegenwoordiging binnen door de wet te stellen grenzen.

Alles wat verder het kiesrecht en de wijze van verkiezing betreft, wordt door de wet geregeld.

1963: art 91, 1972: art 91
1983
  • 1. 
    De leden van beide kamers worden gekozen op de grondslag van evenredige vertegenwoordiging binnen door de wet te stellen grenzen.
  • 2. 
    De verkiezingen worden gehouden bij geheime stemming.
1987: art 53, 1995: art 53, 1999: art 53, 2000: art 53, 2002: art 53, 2005: art 53, 2006: art 53, 2008: art 53, 2017: art 53, 2018: art 53