Artikel 129: Zamenstelling Staten

128
Artikel 129
130

De Staten der provinciën zijn zamengesteld uit leden, gekozen door de volgende drie standen, namelijk:

Door de Edelen of Ridderschappen,

Door de Steden,

Door den Landelijken Stand.

Inhoudsopgave van deze pagina:

1.

Toelichting Staatsblad

De steden, districten en dorpen, rigten hunne huishouding naar elks plaatselijke gesteldheid in, mits maar het algemeen belang daarbij niet worde uit het oog verloren. - De plaatselijke regeringen bestieren als goede huisvaders maar hunne bijzondere huishouding maakt een gedeelte van de algemeene uit, zij moeten dus dezer belangen niet kwetsen (art. 155).

De Staten der Provinciën keuren de begrooting der plaatselijke uitgaven goed (art. 156). De algemeene Regering neemt daarvan (des noods) kennis en beschikt daaromtrent zoo als het algemeen welzijn vordert (art. 159). Zij schorst en stelt buiten werking alle de handelingen der plaatselijke Regeringen, welke tegen de wetten en het algemeen belang aandruisschen (art. 155).

De gemeente ten platte lande zullen hunne oude, of later afgebakende scheidingen behouden, of ook geheel nieuwe verkrijgen; hunne oude en bestaande of geheel nieuwe benamingen aannemen, naar mate de omstandigheden en het plaatselijk belang zulks medebrengen. Dit alles zoo wel als de wijze waarop bet bestier zal geregeld worden, wordt bij reglementen bepaald, door den Koning vasttestellen, na ingenomen advies van de provinciale Staten der plaatselijke Regeringen of bijzondere commissiën zamengesteld uit de leden die met de plaatselijke aangelegenheden bekend zijn en daarin belang hebben (art. 132 en 154).

Wij hebben straks het goede aangestipt door het bestier der Provinciale Staten in vroegere dagen tot de algemeene welvaart bijgebragt. - Van alle bemoeijenis met de grootere belangen van den Staat ontslagen, zal hun bestier nog nuttiger zijn. Tallooze inrigtingen, openbare werken van het grootste belang, en de steeds bloeijende welvaart van vroegere dagen, hebben zoo in de noordelijke als zuidelijke Provinciën de nuttige strekking van zulk een bestier bewezen, en met wêerzin had men deszelfs vernietiging daargesteld gezien. Door verlichte mannen in een naburig land, alwaar zulke regeringen niet zeer algemeen bekend waren, boven alle andere wijze van bestier aangeprezen, zal hetzelve in ons zamenstel van regering een heilzaam en doelmatig middel zijn om de gehechtheid en den eerbied voor de wetten aantekweeken, welke zoo veel te vaster kleven naarmate zij meer op ernstig vertrouwen gegrond zijn. - In uw hart toch, Sire! kunnen die heillooze staatsregelen niet opwellen welke het belang des Vorsten van dat des volks afscheiden, en alzoo het heil en de kracht miskennen, dat door derzelver standvastige en naauwe vereeniging alleen wordt daargesteld.

De Staten zullen de behoeften en nooden hunner provinciën en de redelijke begeerten van des Konings onderdanen ter zijner kennis brengen (art. 151).

Belast met de inwendige huishouding hunner provinciën, maken zij onder 's Konings goedkeuring de noodige bepalingen te dien aanzien (art. 146).

Zij deelen naar bepaalde regelen de beheering van den Waterstaat, (de bruggen en wegen daaronder begrepen) met een bestier, aan hetwelk de vorige grondwet om de belangrijkheid der Zaak zeker constitutioneel bestaan gegeven heeft, hetwelk ook wij behouden hebben (art. 215-225).

Voor het overige behooren alle takken van het provinciaal bestuur tot de bemoeijenis der Staten: - maar het getal der leden moet uit den aard der instelling aanzienlijk zijn; zij kunnen dus niet altijd vergaderd blijven; en benoemen daarom tot uitvoering van dat gedeelte van hun gezag, hetwelk eene dagelijksche zorg en een steeds voortdurend toezigt vordert, eene vaste commissie uit hun midden, die wegens hare daden aan hen verantwoordelijk is (art. 158).

De vergadering der Staten, zoowel als die van hunne gedeputeerden heeft tot haren voorzitter eenen commissaris door den Koning benoemd en die tevens belast is met de zorgen voor de belangen der provinciën, voor die der algemeene regeringen en alzoo voor de rigtige uitvoering der wetten (art. 137).

Door deze tusschenkomst wordt de Koning als opperbestuurder van het geheel, op eene regelmatige wijze onderrigt van alles, wat deszelfs vaderlijke bezorgdheid noodig heeft, te weten; deze ambtenaar kan alzoo, door de ware beweegredenen van vele bepalingen optegeven, welker doel ligtelijk zou kunnen miskend worden, een nuttig verband daarstellen tusschen de hoofden der departementen van algemeen bestuur en Staten.

Bij de eerste grondwet waren geene vaste bepalingen omtrent de zamenstelling der provinciale Staten gemaakt, naderhand is die zamenstelling voor elke provincie bij een reglement geregeld, hetwelk met Uwer Majesteits goedkeuring is bekrachtigd. Bij die reglementen zijn in het oog gehouden de oude inrigting in de Vereenigde Nederlanden te voren bestaand hebbende; en zij bevatten niets dat met de Belgische gesteldheid strijdig is. - Wij hebben het nuttig geacht dat de bestanddeelen der Staten in de Grondwet zelve vervat wierden (art. 129).

De Edelen, welke zich al of niet tot ridderschappen kunnen vereenigen (art. 131); de steden en het platteland nemen deel aan het provinciaal bestuur in eene evenredigheid, welke naar het belang van elke provincie kan geregeld worden (art. 129);

Alleen het beginsel staat vast en is overal gelijkvormig, al het overige verschilt naar de plaatselijke aangelegenheden, en kan door Uwe Majesteit naar hetgeen de ondervinding leren zal nuttig te wezen, worden gewijzigd. Hoe gelukkig is niet het volk, dat in het vormen van zijnen staat zich niet behoeft te wagen aan eenen schadelijken spoed, noch zich overgeven aan een geheel blinde toekomst, maar met het volste vertrouwen aan zijnen Kooning de zorg kan overlaten, om de algemeene staatswetten aftewerken en te volmaken.

Wij hebben echter begrepen, Sire! dat er eindelijk een tijd moet geboren worden na welke de gestadige begeerte ter verbetering niet behoorde te worden ingewilligd, daar de vastheid en zekerheid van hetgeen goed bevonden is verkiesselijk is boven de ijdele pogingen om zonder ophouden naar volmaaktheid te streven. Wij hebben daarom vastgesteld om de reglementen door Uwe Majesteit bekrachtigd, voor zoo verre het stemregt, en de zitting in de vergaderingen, dat is de beoefening der politieke regten betreft, na een tijdverloop van tien jaren als een deel der grondwet te doen beschouwen (art. 7).

2.

Ontwikkeling artikel

1798

Ieder Departement heeft zijn eigen Bestuur, bestaande uit zeven Leden. Dezen moeten zijn Stem-bevoegde Burgers, ten vollen vijf en twintig Jaaren oud, en zederd de laatste zes Jaaren, Inwooners van het Departement, waarin zij gekozen zijn.

1801

Ieder Departementaal Bestuur bestaat, naar gelang der talrykheid van deszelfs Ingezetenen, uit niet minder dan zeven en niet meer dan vyftien Personen, binnen hetzelve woonachtig en voorts alle de vereischten bezittende, welke by Art. 54 in de Leden van het Wetgevend Lichaam vereischt worden. Dezelve treden op eene regelmatige wyze jaarlyks af, en worden verkozen op zodanige wyze als de Wet, overeenkomstig Art. 22 nader zal bepalen; tot welken tyd toe en tot dat de keuze der nieuwe Leden dienvolgens zal zijn geschied, het thans plaats hebbend Bestuur der tegenwoordige Departementen zal blyven voortduren.

1805

De Departementale Besturen behouden bij provisie hunne tegenwoordige organisatie. Deze organisatie echter zal aan herziening onderworpen zijn, voornamelijk ten oogmerk hebbende de juiste bepaling van derzelver gezag, vooral met betrekking tot de magt van het Nationaal Gouvernement, de vereenvoudiging der Administratie, en de invoering van de hoogstmogelijke bezuiniging in alle deelen van dezelve. De maatregelen, daartoe strekkende, zullen door den Raadpensionaris aan de Vergadering van Hun Hoog Mogenden worden voorgedragen.

1806

De Wet bepaalt de wijze, waarop de Leden der Vergadering van Hun Hoog Mogenden, van de Departementale- en Gemeente-Besturen verkozen worden.

Het Gemeente-Bestuur van de Residentie wordt benoemd, volgens de bepaling bij Art. 46 gemaakt.

1814

Derzelver zamenstelling wordt, naar aanleiding van deze grondwet, geregeld door den Souvereinen Vorst, die uit elke Provincie of Landschap eene commissie benoemt, om Hem dienaangaande te dienen van advies.

1815

De Staten der provinciën zijn zamengesteld uit leden, gekozen door de volgende drie standen, namelijk:

Door de Edelen of Ridderschappen,

Door de Steden,

Door den Landelijken Stand.

1840: art 127, 1848: art 123
1887

De leden der Provinciale Staten worden voor zes jaren regtstreeks gekozen door de mannelijke ingezetenen der provincie, tevens Nederlanders, die de door de wet te bepalen kenteekenen van geschiktheid en maatschappelijken welstand bezitten en den door die wet te bepalen leeftijd, welke niet beneden drie en twintig jaren mag zijn, hebben bereikt. Het tweede en derde lid van artikel 80 zijn hierbij van toepassing.

De helft dier leden treedt om de drie jaren af.

Om lid der Provinciale Staten te kunnen zijn wordt vereischt, dat men mannelijk Nederlander en ingezeten der provincie zij, niet bij regterlijke uitspraak de beschikking of het beheer over zijne goederen hebbe verloren, noch van de verkiesbaarheid ontzet zij en den ouderdom van vijf en twintig jaren vervuld hebbe.

De verkiezing van de leden der Provinciale Staten heeft plaats op de wijze door de wet te regelen.

1917

De leden der Provinciale Staten worden voor vier jaren rechtstreeks gekozen door de mannelijke ingezetenen der provincie, tevens Nederlanders of door de wet als Nederlandsche onderdanen erkend, die den door de wet te bepalen leeftijd, welke niet beneden drie en twintig jaren mag zijn, hebben bereikt en door de vrouwelijke ingezetenen der provincie, die aan gelijke voorwaarden voldoen, indien en voor zoover de wet haar, niet uit hoofde van aan het bezit van maatschappelijken welstand ontleende redenen, kiesbevoegd verklaart. De verkiezing geschiedt op den grondslag van evenredige vertegenwoordiging.

De laatste zinsnede van het eerste lid, het tweede, derde en vierde lid van artikel 80 zijn van toepassing.

Zij treden te gelijk af en zijn dadelijk herkiesbaar.

Om lid der Provinciale Staten te kunnen zijn wordt vereischt, dat men Nederlander of door de wet als Nederlandsch onderdaan erkend en ingezeten der provincie zij, niet krachtens onherroepelijke rechterlijke uitspraak wegens krankzinnigheid of zwakheid van vermogens, de beschikking of het beheer over zijne goederen hebbe verloren, noch van de verkiesbaarheid ontzet zij en den ouderdom van vijf en twintig jaren vervuld hebbe.

De verkiezing van de leden der Provinciale Staten heeft plaats op de wijze door de wet te regelen.

1922

De leden der Provinciale Staten worden voor vier jaren rechtstreeks gekozen door de ingezetenen der provincie, tevens Nederlanders, of door de wet als Nederlandsche onderdanen erkend, die den door de wet te bepalen leeftijd, welke niet beneden drie en twintig jaren mag zijn, hebben bereikt. De verkiezing geschiedt op den grondslag van evenredige vertegenwoordiging.

De laatste zinsnede van het eerste lid, het tweede, en het derde lid van artikel 81 zijn van toepassing.

Zij treden te gelijk af en zijn dadelijk herkiesbaar.

Om lid der Provinciale Staten te kunnen zijn wordt vereischt, dat men Nederlander of door de wet als Nederlandsch onderdaan erkend en ingezeten der provincie zij, den ouderdom van vijf en twintig jaren vervuld hebbe, niet van de verkiesbaarheid ontzet zij, noch van de uitoefening van het kiesrecht zij uitgesloten krachtens de daaromtrent ingevolge artikel 81, derde lid, getroffen regeling, met uitzondering van gerechtelijke vrijheidsberooving en veroordeeling tot eene vrijheidsstraf anders dan wegens bedelarij of landlooperij of wegens een feit, waaruit openbare dronkenschap blijkt.

De verkiezing van de leden der Provinciale Staten heeft plaats op de wijze door de wet te regelen.

1938

De leden der Provinciale Staten worden voor vier jaren rechtstreeks gekozen door de ingezetenen der provincie, tevens Nederlanders, of door de wet als Nederlandsche onderdanen erkend, die den door de wet te bepalen leeftijd, welke niet beneden drie en twintig jaren mag zijn, hebben bereikt. De verkiezing geschiedt op de grondslag van evenredige vertegenwoordiging binnen door de wet te stellen grenzen.

De laatste zinsnede van het eerste lid, het tweede, en het derde lid van artikel 83 zijn van toepassing.

Zij treden te gelijk af en zijn dadelijk herkiesbaar.

Om lid der Provinciale Staten te kunnen zijn wordt vereischt, dat men Nederlander of door de wet als Nederlandsch onderdaan erkend en ingezeten der provincie zij, den ouderdom van vijf en twintig jaren vervuld hebbe, niet van de verkiesbaarheid ontzet zij, noch van de uitoefening van het kiesrecht zij uitgesloten krachtens de daaromtrent ingevolge artikel 83, derde lid, getroffen regeling, met uitzondering van gerechtelijke vrijheidsberooving en veroordeeling tot eene vrijheidsstraf anders dan wegens bedelarij of landlooperij of wegens een feit, waaruit openbare dronkenschap blijkt.

De verkiezing van de leden der Provinciale Staten heeft plaats op de wijze door de wet te regelen.

1948: art 130, 1953: art 137
1956

De leden der Provinciale Staten worden een bij wet te bepalen aantal jaren rechtstreeks gekozen door de ingezetenen der provincie, tevens Nederlanders, of door de wet als Nederlandse onderdanen erkend, die de door de wet te bepalen leeftijd, welke niet beneden drie en twintig jaren mag zijn, hebben bereikt. De verkiezing geschiedt op de grondslag van evenredige vertegenwoordiging binnen door de wet te stellen grenzen.

De laatste zinsnede van het eerste lid, het tweede, en het derde lid van artikel 90 zijn van toepassing.

Zij treden te gelijk af en zijn dadelijk herkiesbaar.

Om lid der Provinciale Staten te kunnen zijn wordt vereist, dat men Nederlander of door de wet als Nederlands onderdaan erkend en ingezeten der provincie zij, de ouderdom van vijf en twintig jaren vervuld hebbe, niet van de verkiesbaarheid ontzet zij, noch van de uitoefening van het kiesrecht zij uitgesloten krachtens de daaromtrent ingevolge artikel 90, derde lid, getroffen regeling, met uitzondering van gerechtelijke vrijheidsberoving en veroordeling tot een vrijheidsstraf anders dan wegens bedelarij of landloperij of wegens een feit, waaruit openbare dronkenschap blijkt.

De verkiezing van de leden der Provinciale Staten heeft plaats op de wijze door de wet te regelen.

1963

De leden der Provinciale Staten worden voor een bij wet te bepalen aantal jaren rechtstreeks gekozen door de ingezetenen der provincie, tevens Nederlanders, of door de wet als Nederlandse onderdanen erkend, die de door de wet te bepalen leeftijd, welke niet beneden een en twintig jaren mag zijn, hebben bereikt. De verkiezing geschiedt op de grondslag van evenredige vertegenwoordiging binnen door de wet te stellen grenzen.

De laatste zinsnede van het eerste lid, het tweede, en het derde lid van artikel 90 zijn van toepassing.

Zij treden te gelijk af en zijn dadelijk herkiesbaar.

Om lid der Provinciale Staten te kunnen zijn wordt vereist, dat men Nederlander of door de wet als Nederlands onderdaan erkend en ingezeten der provincie zij, de ouderdom van vijf en twintig jaren vervuld hebbe, niet van de verkiesbaarheid ontzet zij, noch van de uitoefening van het kiesrecht zij uitgesloten krachtens de daaromtrent ingevolge artikel 90, derde lid, getroffen regeling, met uitzondering van gerechtelijke vrijheidsberoving en veroordeling tot een vrijheidsstraf anders dan wegens bedelarij of landloperij of wegens een feit, waaruit openbare dronkenschap blijkt.

De verkiezing van de leden der Provinciale Staten heeft plaats op de wijze door de wet te regelen.

1972

De leden der Provinciale Staten worden voor een bij wet te bepalen aantal jaren rechtstreeks gekozen door de ingezetenen der provincie, tevens Nederlanders, of door de wet als Nederlandse onderdanen erkend, die de door de wet te bepalen leeftijd, welke niet beneden achttien jaren mag zijn, hebben bereikt. De verkiezing geschiedt op de grondslag van evenredige vertegenwoordiging binnen door de wet te stellen grenzen.

De laatste zinsnede van het eerste lid, het tweede, en het derde lid van artikel 90 zijn van toepassing.

Zij treden te gelijk af en zijn dadelijk herkiesbaar.

Om lid der Provinciale Staten te kunnen zijn wordt vereist, dat men Nederlander of door de wet als Nederlands onderdaan erkend en ingezeten der provincie zij, de ouderdom van vijf en twintig jaren vervuld hebbe, niet van de verkiesbaarheid ontzet zij, noch van de uitoefening van het kiesrecht zij uitgesloten krachtens de daaromtrent ingevolge artikel 90, derde lid, getroffen regeling, met uitzondering van gerechtelijke vrijheidsberoving en veroordeling tot een vrijheidsstraf anders dan wegens bedelarij of landloperij of wegens een feit, waaruit openbare dronkenschap blijkt.

De verkiezing van de leden der Provinciale Staten heeft plaats op de wijze door de wet te regelen.

1983
  • 1. 
    De leden van provinciale staten en van de gemeenteraad worden rechtstreeks gekozen door de Nederlanders, tevens ingezetenen van de provincie onderscheidenlijk de gemeente, die voldoen aan de vereisten die gelden voor de verkiezing van de Tweede Kamer der Staten-Generaal. Voor het lidmaatschap gelden dezelfde vereisten.
  • 2. 
    De leden worden gekozen op de grondslag van evenredige vertegenwoordiging binnen door de wet te stellen grenzen.
  • 4. 
    De zittingsduur van provinciale staten en de gemeenteraad is vier jaren, behoudens bij de wet te bepalen uitzonderingen.
  • 5. 
    De wet bepaalt welke betrekkingen niet gelijktijdig met het lidmaatschap kunnen worden uitgeoefend. De wet kan bepalen, dat beletselen voor het lidmaatschap voortvloeien uit verwantschap of huwelijk en dat het verrichten van bij de wet aangewezen handelingen tot het verlies van het lidmaatschap kan leiden.
  • 6. 
    De leden stemmen zonder last.
1987: art 129, 1995: art 129, 1999: art 129, 2000: art 129, 2002: art 129
2005
  • 1. 
    De leden van provinciale staten en van de gemeenteraad worden rechtstreeks gekozen door de Nederlanders, tevens ingezetenen van de provincie onderscheidenlijk de gemeente, die voldoen aan de vereisten die gelden voor de verkiezing van de Tweede Kamer der Staten-Generaal. Voor het lidmaatschap gelden dezelfde vereisten.
  • 2. 
    De leden worden gekozen op de grondslag van evenredige vertegenwoordiging binnen door de wet te stellen grenzen.
  • 4. 
    De zittingsduur van provinciale staten en de gemeenteraad is vier jaren, behoudens bij de wet te bepalen uitzonderingen.
  • 5. 
    De wet bepaalt welke betrekkingen niet gelijktijdig met het lidmaatschap kunnen worden uitgeoefend. De wet kan bepalen, dat beletselen voor het lidmaatschap voortvloeien uit verwantschap of huwelijk en dat het verrichten van bij de wet aangewezen handelingen tot het verlies van het lidmaatschap kan leiden.
  • 6. 
    De leden stemmen zonder last.
2006: art 129, 2008: art 129, 2017: art 129, 2018: art 129