Artikel 44: Mogelijke rol Raad van State in regentschap

43
Artikel 44
45

Het Koninklijk gezag wordt waargenomen door den Raad van State:

1°. bij het overlijden des Konings, zoolang niet in de troonopvolging volgens artikel 19 is voorzien, voor den minderjarigen Troonopvolger geen Regent is benoemd, of de Troonpvolger of Regent afwezig is;

2°. in de gevallen van de artikelen 38 en 43, zoolang de Regent ontbreekt of afwezig is; en bij overlijden van den Regent, zoolang zijn opvolger niet benoemd is en het regentschap aanvaard heeft;

3°. ingeval de troonopvolging onzeker is en de Regent ontbreekt of afwezig is.

Deze waarneming houdt van rechtswege op, zoodra de bevoegde Troonopvolger of Regent zijne waardigheid heeft aanvaard.

Wanneer in het regentschap moet worden voorzien, dient de Raad van State het daartoe strekkend ontwerp van wet in:

in de gevallen, onder 1°. en 2°. vermeld, binnen den tijd van eene maand na de aanvaarding der waarneming van het Koninklijk gezag;

in het geval, onder 3°. vermeld, binnen den tijd van eene maand nadat de troonopvolging heeft opgehouden onzeker te zijn.

1.

Ontwikkeling artikel

1814

Wanneer de Erfprins in zoodanig geval meerderjarig is, zoo is Hij van regtswege Regent.

Indien Hij als dan nog minderjarig is, zal het souverein gezag, in dit en de andere gevallen, bij artikel 11 en 24 omschreven, worden uitgeoefend door den Raad van State, zamengesteld op dezelfde wijze, als bij artikel 25 is vermeld, tot dat daaromtrent door de Staten Generaal zal zijn voorzien.

1815

Wanneer de Prins van Oranje zijn achttiende jaar niet heeft vervuld, gelijk mede in de gevallen bij artikel 27 en 44 voorzien, wordt bet Koninklijk gezag uitgeoefend door den Raad van State, zamengesteld op dezelfde wijze als bij artikel 46, tot dat daaromtrent door de Staten-Generaal is voorzien.

De leden van dien Raad leggen in handen van den Voorzitter, en deze in tegenwoordigheid der vergadering af den navolgenden eed:

"Ik zweer, dat ik als lid (voorzitter) van den Raad van State, de Grondwet van het Rijk zal helpen onderhouden en handhaven, in de waarneming van het Koninklijk gezag, totdat daarin door de Staten-Generaal zal zijn voorzien. Zoo waarlijk helpe mij God almagtig!"

1840: art 48
1848

Totdat in het geval, in art. 42 aangewezen, de Prins van Oranje of de benoemde Regent het regentschap heeft aanvaard, wordt het koninklijk gezag waargenomen door de vergadering, zamengesteld als in art. 42 is voorgeschreven.

Hetzelfde vindt plaats, zoo, bij overlijden des Konings, een Regent voor den minderjarigen opvolger of ook de bevoegde opvolger ontbreekt, totdat de benoemde Regent of opvolger de regering heeft aanvaard.

De leden van deze vergadering leggen in handen van den door hen gekozen voorzitter, en deze in eene vereenigde zitting van heide Kamers der Staten-Generaal, den volgenden eed of belofte af:

"Ik zweer (beloof) dat ik, als lid (voorzitter) van dezen regeringsraad, in de waarneming van het koninklijk gezag de Grondwet zal helpen onderhouden en handhaven."

"Zoo waarlijk helpe mij God almagtig!" ("Dat beloof ik!")

1887

Het Koninklijk gezag wordt waargenomen door den Raad van State:

1°. bij het overlijden des Konings, zoolang niet in de troonopvolging volgens artikel 21 is voorzien, voor den minderjarigen Troonopvolger geen Regent is benoemd, of de Troonpvolger of Regent afwezig is;

2°. in de gevallen van de artikelen 40 en 44, zoolang de Regent ontbreekt of afwezig is; en bij overlijden van den Regent, zoolang zijn opvolger niet benoemd is en het regentschap aanvaard heeft;

3°. ingeval de troonopvolging onzeker is en de Regent ontbreekt of afwezig is.

Deze waarneming houdt van regtswege op, zoodra de bevoegde Troonopvolger of Regent zijne waardigheid heeft aanvaard.

Wanneer in het regentschap moet worden voorzien, dient de Raad van State het daartoe strekkend ontwerp van wet in:

in de gevallen, onder 1°. en 2°. vermeld, binnen den tijd van eene maand na de aanvaarding der waarneming van het Koninklijk gezag;

in het geval, onder 3°. vermeld, binnen den tijd van eene maand nadat de troonopvolging heeft opgehouden onzeker te zijn.

1917: art 45, 1922: art 44, 1938: art 46, 1948: art 46, 1953: art 46, 1956: art 46, 1963: art 46, 1972: art 46
1983

Zolang niet in de uitoefening van het koninklijk gezag is voorzien, wordt dit uitgeoefend door de Raad van State.

1987: art 38, 1995: art 38, 1999: art 38, 2000: art 38, 2002: art 38, 2005: art 38, 2006: art 38, 2008: art 38, 2017: art 38, 2018: art 38