Titel I - Economisch Beleid

Inhoudsopgave van deze pagina:

47.

Interne markt en vrij verkeer

  • 1. 
    De Unie heeft de exclusieve bevoegdheid om het vrije verkeer van personen, diensten, goederen en kapitaal op haar grondgebied te voltooien, te garanderen en verder te ontwikkelen. Zij bezit eveneens exclusieve bevoegdheid op het gebied van de handel tussen de Lid-Staten.
  • 2. 
    Deze vrijmaking vindt plaats aan de hahd van nauwkeurige programma's en tijdschema's met een dwingend karakter, die door de wetgever onvereen-komstig de wetgevingsprocedure worden vastgesteld. De Commissie stelt de wijze van uitvoering van deze programma's vast.
  • 3. 
    Door deze programma's dient de Unie de volgende doelstellingen te bereiken:
    • het vrije verkeer van personen en goederen, hetgeen met name de afschaffing van personencontroles aan de binnengrenzen behelst, binnen een termijn van twee jaar na de inwerkingtreding van dit Verdrag,
    • het vrije verkeer van diensten met inbegrip van de dienstverlening door banken en alle soorten verzekeringen, binnen een termijn van vijf jaar na de inwerkingtreding van dit Verdrag,
    • het vrije verkeer van kapitaal, binnen een termijn van tien jaar na de inwerkingtreding van dit Verdrag.

48.

Mededinging

De Unie bezit exclusieve bevoegdheid ter voltooiing en ontplooiing van het mededingingsbeleid op hei vlak van de Unie met inachtneming van:

  • de noodzaak een stelsel in te voeren tot verlening van toestemming voor concentraties van ondernemingen, dat uitgaat van de in artikel 66 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal neergelegde criteria,
  • de noodzaak tot herstructurering en versterking van de industrie van de Unie, in het licht van de Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen ernstige verstoringen die de internationale concurrentie teweeg kan brengen.
  • de noodzaak elke discriminatie tussen particuliere ondernemingen en overheidsbedrijven te verbieden.

49.

Onderlinge aanpassing van de wetgevingen inzake de ondernemingen en de belastingwetgevingen

De Unie neemt maatregelen ter onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen inzake de ondernemingen, in het bijzonder de vennootschappen, indien deze bepalingen rechtstreeks van invloed zijn op een gemeenschappelijk optreden van de Unie. Bij de wet wordt een statuut voor Europese ondernemingen opgesteld.

Voor zover zulks nodig is voor de totstandbrenging van de economische integratie van de Unie vindt bij de wet de onderlinge aanpassing van de belastingwetgevingen plaats.

50.

Conjunctuurbeleid

  • 1. 
    De Unie bezit concurrerende bevoegdheid op het gebied van het conjunctuurbeleid; inzonderheid met het oog op de coördinatie van het economisch beleid binnen de Unie.
  • 2. 
    De Commissie stelt de richtsnoeren en doelstellingen vast voor het optreden van de Lid-Staten, aan de hand van de in de wet neergelegde beginselen en binnen de daarin gestelde grenzen.
  • 3. 
    Onder de bij de wet vastgestelde voorwaarden ziet de Commissie erop toe dat de door de Lid-Staten genomen maatregelen in overeenstemming zijn met de door haar vastgelegde doelstellingen. Bij de wet wordt de Commissie gemachtigd de verlening van monetaire, budgettaire of financiële steun van de Unie afhankelijk te stellen van de naleving van de uit hoofde van lid 2 van dit artikel genomen besluiten.
  • 4. 
    Bij de wet worden de voorwaarden vastgesteld onder welke de Commissie, in overleg met de Lid-Staten, de financiële en budgettaire mechanismen van de Unie kan aanwenden voor conjuncturele doeleinden.

51.

Kredietbeleid

De Unie oefent een concurrerende bevoegdheid uit ten aanzien van het Europese monetaire beleid en kredietbeleid, met name met het oog op coördinatie van het lenen op de kapitaalmarkt, door instelling van een Europese commissie voor de kapitaalmarkt en een Europese autoriteit voor toezicht op de banken.

52.

Europees Monetair Stelsel

  • 1. 
    Alle Lid-Staten nemen deel aan het Europees Monetair Stelsel, onverminderd het in artikel 35 van dit Verdrag neergelegde beginsel.
  • 2. 
    De Unie oefent een concurrerende bevoegdheid uit voor de geleidelijke totstandbrenging van de volledige monetaire unie.
  • 3. 
    Bij organieke wet worden de voorschriften vastgesteld betreffende:
    • het statuut en de werking van het Europees Monetair Fonds, overeenkomstig artikel 33 van het Verdrag,
    • de voorwaarden voor de feitelijke overdracht aan het Europees Monetair Fonds van een deel van de reserves van de Lid-Staten,
    • de voorwaarden voor de geleidelijke omzetting van de Ecu in een reservevaluta en betaalmiddel en verruiming van het gebruik ervan,
    • de wijze waarop en de fasen waarin de monetaire unie tot stand zal worden gebracht,
    • de verplichtingen en beperkingen welke gelden voor de centrale banken ten aanzien van de vaststelling van hun doelstellingen op het gebied van de geldschepping.
  • 4. 
    Gedurende vijf jaar na het tijdstip van inwerkingtreding van dit Verdrag kan de Europese Raad, in afwijking van de artikelen 36, 38 en 39 van dit Verdrag, binnen één maand na de aanneming ervan de inwerkingtreding van de hierboven genoemde organieke wetten opschorten en deze voor een nieuwe behandeling terugverwijzen naar het Parlement en de Raad van de Unie.

53.

Sectorieel beleid

Ten einde te voorzien in de specifieke behoeften op het gebied van de organisatie, coördinatie of stimulering van bepaalde sectoren van de economische bedrijvigheid, bezit de Unie concurrerende bevoegdheid om een sectorieel beleid te voeren dat is afgestemd op de dimensie van de Unie.

Op ondergenoemde terreinen is dit beleid er met name op gericht om, door het scheppen van stabiele kadervoorwaarden, de besluitvorming van de ondernemingen te bevorderen op het gebied van investeringen en innovaties, en zulks in een context van mededinging.

Het betreft hier met name:

  • landbouw en visserij,
  • vervoer,
  • telecommunicatie,
  • onderzoek en ontwikkeling,
  • industrie,
  • energie.
  • a) 
    Op het gebied van de landbouw en de visserij voert de Unie een beleid dat is gericht op de verwezenlijking van de doelstellingen die zijn omschreven in artikel 39 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap.
  • b) 
    Op het gebied van het vervoer voert de Unie een beleid dat bijdraagt tot de economische integratie van de Lid-Staten. Zij handelt met name via een gemeenschappelijk optreden om een einde te maken aan elke vorm van discriminatie, de basisvoorwaarden voor de mededinging tussen de onderscheidene middelen van vervoer te harmoniseren, belemmeringen van het grensoverschrijdende vervoer op te heffen en de capaciteit van de verkeerswegen op te voeren; ten einde een verkeersnet te ontwikkelen dat is aangepast aan de Europese behoeften.
  • c) 
    Op het gebied van de telecommunicatie treedt de Unie gemeenschappelijk op om een telecommunicatienet tot stand te brengen met gemeenschappelijke normen en geharmoniseerde tarieven. Zij oefent haar bevoegdheid met name uit ten aanzien van geavanceerde technologieën, onderzoek en ontwikkeling en overheidsaankopen.
  • d) 
    Op het gebied van onderzoek en ontwikkeling kan de Unie gemeenschappelijke strategieën uitstippelen, ten einde de nationale activiteiten te coördineren en. bij te sturen en de samenwerking tussen de Lid-Staten en de researchinstituten te bevorderen.

    Zij kan financiële steun verlenen aan gemeenschappelijk onderzoek, een deel van de risico's daarvan op zich nemen en onderzoek verrichten in haar eigen onderzoekinstellingen.

  • e) 
    Op industriegebied kan de Unie ontwikkelingsstrategieën uitwerken, ten einde het beleid van de Lid-Staten in industrietakken die van bijzonder belang zijn voor de economische en politieke veiligheid van de Unie bij te sturen en te coördineren. De Commissie, die wordt belast met de noodzakelijke uitvoeringsmaatregelen, brengt periodiek verslag uit aan het Parlement en de Raad van de Unie over de problemen op het gebied van de industriepolitiek.
  • f) 
    Op energiegebied is het optreden van de Unie gericht op de beveiliging van de voorziening, de stabiliteit van de markt van de Unie en, voor zover er prijsregelingen bestaan, een geharmoniseerd prijsbeleid dat verenigbaar is met een eerlijke concurrentie. Het beleid is tevens gericht op de bevordering van ontwikkeling van alternatieve en hernieuwbare energiebronnen, de totstandbrenging van gemeenschappelijke technische normen op het gebied van efficiency, veiligheid, bescherming van de bevolkingen en milieubescherming, alsmede op de stimulering van de exploitatie van Europese energiebronnen.

54.

Andere vormen van samenwerking

  • 1. 
    Wanneer de Lid-Staten het initiatief hebben genomen om vormen van industriële samenwerking tot stand te brengen buiten het toepassingsgebied van dit Verdrag, kan de Europese Raad, indien het gemeenschappelijk belang zulks rechtvaardigt, deze samenwerkingsvormen omzetten in een gemeenschappelijk optreden van de Unie.
  • 2. 
    Bij de wet kunnen voor specifieke sectoren die het voorwerp vormen van een gemeenschappelijk optreden gespecialiseerde Europese instanties in het leven worden geroepen en de daarvoor geldende vormen van controle worden omschreven.