Titel II - De Rechtshandelingen van de Unie

Inhoudsopgave van deze pagina:

34.

De wet

  • 1. 
    De wet stelt de regels vast die van toepassing zijn op het gemeenschappelijk optreden. De wet beperkt zich waar mogelijk tot vaststelling van de grondbeginselen van het gemeenschappelijk optreden en laat de nadere toepassing over aan de met de uitvoering ervan belaste autoriteiten van de Unie of de Lid-Staten.
  • 2. 
    De organisatie en de werking van de instellingen alsmede van andere uitdrukkelijk in dit Verdrag genoemde onderwerpen worden geregeld bij organieke wetten, volgens de in artikel 38 van dit Verdrag neergelegde bijzondere procedure.
  • 3. 
    De aanneming van de begroting geschiedt overeenkomstig het bepaalde in artikel 76 van dit Verdrag.

35.

Gedifferentieerde toepassing van de wet

Bij de wet kan de tenuitvoerlegging van de bepalingen daarvan aan termijnen worden gebonden of worden vergezeld van gedifferentieerde overgangsmaatregelen, al naar gelang van degenen tot wie zij gericht zijn, indien de uniforme toepassing van deze bepalingen stuit op bijzondere moeilijkheden, voortvloeiende uit de specifieke situatie van een aantal dergenen tot wie zij gericht zijn.

Deze termijnen en maatregelen dienen echter te strekken tot vergemakkelijking van de toepassing op een later tijdstip van alle bepalingen van de wet op al degenen tot wie zij gericht is.

36.

De wetgever

Het Parlement en de Raad van de Unie oefenen gezamenlijk de wetgevende macht uit, met actieve deelneming van de Commissie.

37.

Het recht van initiatief en van amendement

  • 1. 
    De Commissie heeft het recht van initiatief. Zij kan haar wetsvoorstellen te allen tijde intrekken, zolang deze niet uitdrukkelijk in eerste lezing zijn goedgekeurd door het Parlement of de Raad van de Unie.
  • 2. 
    Op een met redenen omkleed verzoek van Parlement of Raad dient de Commissie een wetsontwerp in overeenstemming met dit verzoek in.

    Indien de Commissie zulks weigert, kunnen Parlement of Raad overeenkomstig de in hun reglementen vastgestelde procedures een wetsontwerp in overeenstemming met hun oorspronkelijke verzoek indienen. De Commissie moet advies over dit ontwerp uitbrengen.

  • 3. 
    Overeenkomstig het bepaalde in artikel 38 van dit Verdrag:
    • kan de Commissie wijzigingen' indienen op elk wetsontwerp. Over deze wijzigingen moet bij voorrang worden gestemd;
    • kunnen de leden van het Parlement en de nationale vertegenwoordigingen in de Raad van de Unie eveneens wijzigingen indienen tijdens de beraadslagingen in hun respectieve instellingen.

38.

Behandeling van wetsontwerpen

  • 1. 
    Alle wetsontwerpen worden ingediend bij het Parlement, dat het ontwerp binnen een termijn van zes maanden, al dan niet met wijzigingen, goedkeurt. Ontwerpen voor organieke wetten kunnen door het Parlement met volstrekte meerderheid worden gewijzigd; voor de goedkeuring van deze ontwerpen is een gekwalificeerde meerderheid vereist.

    Indien de voor de goedkeuring vereiste meerderheid ontbreekt, heeft de Commissie het recht het ontwerp te wijzigen en het opnieuw bij het Parlement in te dienen.

  • 2. 
    Het door het Parlement goedgekeurde ontwerp wordt, al dan niet geamendeerd, toegezonden aan de Raad van de Unie. De Commissie kan, binnen een maand na de goedkeuring door het Parlement, een advies uitbrengen dat ook aan de Raad wordt toegezonden.
  • 3. 
    De Raad neemt binnen zes maanden een besluit. Indien hij het ontwerp met volstrekte meerderheid goedkeurt zonder het te wijzigen of het eenstemmig verwerpt, is de behandeling beëindigd.

    Indien de Commissie uitdrukkelijk een ongunstig advies heeft uitgebracht over het ontwerp of indien het een ontwerp voor een organieke wet betreft, keurt de Raad het voorstel zonder het te wijzigen met gekwalificeerde meerderheid goed of verwerpt het, in welke gevallen de behandeling is beëindigd.

    Wanneer het ontwerp in stemming is gebracht zonder dat de bovengenoemde resultaten werden bereikt, of wanneer het ontwerp werd gewijzigd met gewone meerderheid, of, wanneer het organieke wetten betreft, met volstrekte meerderheid, wordt de in lid 4 van dit artikel bedoelde overlegprocedure geopend;

  • 4. 
    In de in lid 3, laatste alinea, in dit artikel bedoelde gevallen komt het Comité van Overleg bijeen. Dit Comité bestaat uit een delegatie van de Raad van de Unie en een delegatie van het Parlement. De Commissie neemt deel aan de werkzaamheden van het Comité.

    Indien het Comité binnen drie maanden overeenstemming bereikt over een gemeenschappelijke tekst, wordt deze tekst ter goedkeuring voorgelegd aan het Parlement en aan de Raad, die binnen drie maanden een besluit nemen met volstrekte meerderheid, of, wanneer het organieke wetten betreft, met gekwalificeerde meerderheid. Amendementen zijn niet ontvankelijk.

    Indien het Comité binnen bovengenoemde termijn geen overeenstemming bereikt, wordt de. van de Raad afkomstige tekst ter goedkeuring voorgelegd aan het Parlement dat binnen drie maanden een besluit neemt met volstrekte meerderheid of, wanneer het organieke wetten betreft, met gekwalificeerde meerderheid. Alleen door de Commissie ingediende amendementen zijn ontvankelijk. Binnen een termijn van drie maanden kan de Raad met gekwalificeerde meerderheid de door het Parlement goedgekeurde tekst verwerpen. Amendementen zijn in dat geval niet ontvankelijk.

  • 5. 
    Indien het Parlement of de Raad het ontwerp niet binnen de gestelde termijnen in stemming brengen, wordt de tekst geacht te zijn aangenomen door de instelling die zich niet heeft uitgesproken. Dit laat het bepaalde in artikel 23, lid 3, van dit Verdrag onverlet. Een wet wordt evenwel niet geacht te zijn aangenomen indien deze niet uitdrukkelijk hetzij door het Parlement, hetzij door de Raad is goedgekeurd.
  • 6. 
    Wanneer de omstandigheden zulks vereisen, kunnen Raad en Parlement overeenkomen de in dit artikel gestelde termijnen te verlengen.

39.

Bekendmaking van de wet

Onverminderd het bepaalde in artikel 76, lid 4, van dit Verdrag, constateert de voorzitter van het onderdeel van de wetgevende autoriteit dat in laatste instantie uitdrukkelijk een besluit heeft genomen, dat de wetgevingsprocedure is beëindigd en laat hij de wet onverwijld bekendmaken in het Publikatieblad van de Unie.

40.

Uitvoeringsregelingen

De Commissie stelt de verordeningen en beschikkingen vast die nodig zijn voor de uitvoering van de wet op de daarin voorgeschreven wijze.

Verordeningen worden in het Publikatieblad van de Unie gepubliceerd en beschikkingen ter kennis gebracht van degenen tot wie zij zijn gericht. Het Parlement en de Raad van de Unie worden onverwijld ervan in kennis gesteld.

41.

Het horen van betrokkenen

Alvorens een maatregel vast te stellen, gaan de instellingen van de Unie, voor zover zulks mogelijk en dienstig is, over tot het horen van de betrokkenen, volgens een door de wet van de Unie voor te schrijven procedure.

42.

Het recht van de Unie

Het recht van de Unie is rechtstreeks toepasselijk in de Lid-Staten. Het heeft voorrang boven het recht van de Lid-Staten.

Onverminderd de aan de Commissie verleende bevoegdheden zijn de autoriteiten van de Lid-Staten belast met de toepassing van dit recht.

Een organieke wet regelt de wijze waarop de Commissie toezicht houdt op deze toepassing.

De nationale rechterlijke instanties zijn gehouden het recht van de Unie toe te passen.

43.

Rechterlijke controle

De communautaire bepalingen met betrekking tot de gerechtelijke controle zijn van toepassing op de Unie. Zij worden bij organieke wet aangevuld aan de hand van de volgende beginselen:

  • uitbreiding van het recht van de individuele burgers om beroep in te stellen tegen besluiten van de Unie waardoor zij zich bezwaard achten,
  • recht op beroep zonder onderscheid en gelijke be-handeling van alle instellingen voor het Hof van Justitie,
  • bevoegdheid van het Hof ten aanzien van de be-, scherming van de grondrechten ten opzichte van de Unie,
  • bevoegdheid van het Hof besluiten van de Unie te vernietigen in het kader van een prejudicieel verzoek tot nietigverklaring of een beroep op onwettigheid,
  • de mogelijkheid van een beroep in cassatie voor het Hof tegen nationale rechterlijke beslissingen in laatste instantie die een weigering inhouden om aan het Hof een prejudiciële uitspraak te vragen of waarbij een prejudiciële uitspraak van het Hof niet wordt erkend,
  • bevoegdheid van het Hof een sanctie op te leggen aan de Lid-Staten die de uit het recht van de Unie voortvloeiende verplichtingen niet nakomen,
  • uitsluitende bevoegdheid van het Hof uitspraak te doen over geschillen tussen de Lid-Staten die verband houden met de doelstellingen van de Unie.

44.

Sancties

In het artikel 4, lid 4, van dit Verdrag bedoelde geval, alsmede in elk ander geval van ernstige en voortdurende schending door een Lid-Staat van de bepalingen van dit Verdrag, kan de Europese Raad na vaststelling van deze schending door het Hof van Justitie op verzoek van het Parlement of van de Commissie, na de betrokken Lid-Staat te hebben gehoord, op eensluidend advies van het Parlement, maatregelen nemen:

  • waardoor aan de betrokken Staat en zijn onderdanen tijdelijk de rechten worden ontzegd die voortvloeien uit de toepassing van een deel of van alle bepalingen van dit Verdrag, zonder de verworven rechten van de onderdanen aan te tasten,
  • die zover kunnen gaan dat de deelneming van de betrokken Staat aan de Europese Raad en de Raad van de Unie, alsmede aan elk ander orgaan waarin de Staat als zodanig vertegenwoordigd is, wordt opgeschort.

De betrokken Staat neemt niet deel aan de stemming over de sancties.