Artikel I-23: De Raad van Ministers

I-22
Artikel I-23
I-24
  • 1. 
    De Raad oefent samen met het Europees Parlement de wetgevingstaak en de begrotingstaak uit. Hij oefent onder de bij de Grondwet bepaalde voorwaarden beleidsbepalende en coördinerende taken uit.
  • 2. 
    De Raad bestaat uit een vertegenwoordiger van iedere lidstaat op ministerieel niveau, die gemachtigd is om de regering van de lidstaat die hij vertegenwoordigt, te binden en om het stemrecht uit te oefenen.
  • 3. 
    Tenzij in de Grondwet anders is bepaald, besluit de Raad met gekwalificeerde meerderheid van stemmen.
 

Inhoudsopgave van deze pagina:

1.

Toelichting Nederlandse regering

De taakomschrijving van de Raad (onder het EG-Verdrag opgenomen in artikel 202) is gemoderniseerd, doch in essentie dezelfde gebleven: de wetgevingstaak, de begrotingstaak en de beleidsbepalende en coördinerende taak. In het derde lid van artikel I-23 is als hoofdregel vastgelegd dat de Raad besluit met gekwalificeerde meerderheid van stemmen. Voor een overzicht van de gevallen waarin is overgegaan van unanimiteit naar besluitvorming met gekwalificeerde meerderheid, zij verwezen naar bijlage 1. De regering is verheugd over deze toename: in een Unie van 25 of meer lidstaten dient het aantal gevallen waarin wordt besloten met unanimiteit tot het noodzakelijke minimum te worden beperkt.

In het Grondwettelijk Verdrag worden slechts twee Raadsformaties expliciet genoemd. De Raad Algemene Zaken draagt zorg voor de samenhang van de werkzaamheden van de verschillende Raadsformaties. De Raad Buitenlandse Zaken is belast met het externe optreden van de Unie. Deze twee raadsformaties vervangen de Raad Algemene Zaken en Externe Betrekkingen. Dit is weinig meer dan een bevestiging van de bestaande praktijk; de agenda van de oude Raad Algemene Zaken en Externe Betrekkingen werd altijd al gesplitst in een 'algemeen deel' en een 'extern deel'.

De artikelen in Deel III van het Grondwettelijk Verdrag die betrekking hebben op de Raad bevatten nauwelijks nieuwe elementen. De artikelen III-342 tot en met III-344 nemen vrijwel letterlijk de bepalingen uit het EG-Verdrag (artikelen 203 tot en met 209 EG-Verdrag) over het bijeenroepen van de vergaderingen van de Raad, de wijze van stemmen in de Raad, de taken van het Comité van permanente vertegenwoordigers, de ondersteuning door het secretariaat-generaal en de vaststelling van het reglement van orde over. Enig verschil is dat de Raad de secretaris-generaal niet meer met eenparigheid van stemmen, maar met gekwalificeerde meerderheid benoemt.

Ook de artikelen III-345 en III-346, over respectievelijk het kunnen verzoeken van de Commissie om studies te verrichten alsmede om voorstellen te doen ter verwezenlijking van de gemeenschappelijke doelstellingen en het vaststellen van het statuut voor de door het Grondwettelijk Verdrag ingestelde comités, zijn nagenoeg hetzelfde gebleven. Nieuw is dat als de Commissie besluit geen voorstellen in te dienen, zij de Raad van de reden hiervoor in kennis moet stellen (parallel aan het bepaalde in artikel III-332 met betrekking tot het Europees Parlement). In artikel III-346 is opgenomen dat het statuut van de diverse comités niet meer wordt vastgesteld na advies van, maar na overleg met de Commissie. De rol van de Commissie is op dit punt dus versterkt.

2.

Toelichting Belgische regering

Artikel I-23 definieert de functies van de Raad van ministers. De Raad oefent samen met het Europees Parlement de wetgevingstaak en de begrotingstaak uit. De Raad bepaalt en coördineert het beleid van de Unie onder de bij de Grondwet bepaalde voorwaarden.

In lid 2 wordt de samenstelling van de Raad van ministers vastgelegd.

In de tekst van de Conventie werd gepreciseerd dat « de Raad van ministers voor iedere Raadsformatie bestaat uit een vertegenwoordiger van iedere lidstaat op ministerieel niveau. Deze vertegenwoordiger is als enige gemachtigd om de lidstaat welke hij vertegenwoordigt, te binden en het stemrecht uit te oefenen ». Op initiatief van België werd deze bepaling tijdens de IGC gewijzigd.

Éénzelfde Raadsformatie bestrijkt soms immers domeinen die, op Belgisch niveau, zowel tot de bevoegdheid van de federale overheid als tot die van de gefedereerde entiteiten behoren. Zo bestrijkt de Raad « Concurrentievermogen » zowel de interne markt, een in hoofdzaak federale bevoegdheid, als het toerisme, een bevoegdheid van de gefedereerde entiteiten. In 1994 werd dan ook een samenwerkingsakkoord gesloten om de vertegenwoordiging van België in de Raad te verzekeren. In het akkoord wordt per domein gedefinieerd welke de instantie is die gemachtigd is om België te vertegenwoordigen. Zo is de Belgische woordvoerder voor de interne markt een federaal minister en voor het toerisme een minister van de gefedereerde entiteiten.

De formulering van de Conventie die bepaalde dat voor elke Raadsformatie slechts één enkele minister gemachtigd zou zijn om de lidstaat te binden, dreigde dan ook negatieve gevolgen te hebben voor de toepassing van het samenwerkingsakkoord uit 1994.

Op basis van het beginsel dat de Unie de grondwettelijke structuur van de lidstaten moet respecteren (artikel I-5) heeft België met succes de herneming gevraagd van de formulering uit artikel 203 VEG, die bepaalt dat de Raad bestaat uit een vertegenwoordiger van iedere lidstaat op ministerieel niveau die gemachtigd is om de lidstaat die hij vertegenwoordigt te binden.

Voor het overige stelt het laatste lid van artikel I-23 als basisregel dat de Raad met gekwalificeerde meerderheid van stemmen besluit, tenzij in de Grondwet anders is bepaald.

3.

Ontwikkeling artikel

1953

De Europese Uitvoerende Raad is belast met het bestuur over de Gemeenschap. Hij heeft geen andere bevoegdheden dan die, welke hem door dit Statuut worden toegekend.

1984

De Raad van de Unie bestaat uit vertegenwoordigingen van de Lid-Staten die worden benoemd door hun regeringen; iedere vertegenwoordiging wordt geleid door een minister die speciaal en permanent is belast met de aangelegenheden van de Unie.

Toelichting

In de toelichting bij dit ontwerp-Verdrag becommentarieerde Spinelli de rol van de Raad in het institutionele systeem als volgt:

  • 25. 
    Het Parlement en de Raad van de Unie nemen beide deel aan de wetgevingsen begrotingsprocedure en aan het politiek toezicht van de Unie.

    Terwijl het Parlement van de Unie nog steeds wordt gekozen volgens de bij de inwerkingtreding van de Unie geldende regels, totdat de wetgevingsautoriteit zelf een andere kieswet zal hebben vastgesteld, wordt de structuur van de Raad in het Verdrag bepaald, omdat de tekortkomingen van de huidige structuur van de Raad van de Gemeenschappen maar al te duidelijk zijn. De verschillende regeringen blijven hun nationale vertegenwoordigingen in de Raad benoemen, maar besloten wordt dat iedere vertegenwoordiging moet worden geleid door een minister die speciaal en permanent is belast met Europese aangelegenheden.

    Het wetgevingsinitiatief komt in de regel de Commissie toe, maar met enkele voorzorgen om een onredelijke proliferatie van wetsontwerpen te vermijden kan het initiatief ook uitgaan van een van de twee takken van de wetgevingsautoriteit.

    De gemeenschappelijke besluitvorming van het Parlement en van de Raad wordt geregeld door een nauwkeurig systeem van opeenvolgende lezingen in de twee instellingen en door de bepaling dat de instelling die haar beslissing niet in de haar toegewezen tijd neemt, haar bevoegdheid tot handelen verliest.

    Behalve de normale wetten (die de huidige verordeningen en richtlijnen van de Gemeenschap vervangen) is de organieke wet ingevoerd, die een verregaande consensus van het Parlement en de Raad vereist, omdat hierdoor fundamentele momenten in het bestaan van de Unie zullen worden geregeld.

    De regel van eenstemmigheid in de Raad is praktisch afgeschaft.

1994

De Raad bestaat uit een minister van elke lid-staat die bevoegd is voor de aangelegenheden van de Unie. Deze minister zit een delegatie voor, die benoemd is overeenkomstig de nationale grondwettelijke regels. Elke delegatie brengt één stem uit.

2003
  • 1. 
    De Raad van ministers oefent, samen met het Europees Parlement, de wetgevende taak uit, alsmede beleidsbepalende en coördinerende taken onder de in de Grondwet vastgelegde voorwaarden.
  • 2. 
    De Raad van ministers bestaat voor elke Raadsformatie uit een vertegenwoordiger van elke lidstaat op ministerieel niveau die gemachtigd is om de lidstaat die hij vertegenwoordigt te binden en het stemrecht uit te oefenen.
  • 3. 
    Voorzover de Grondwet niet anders bepaalt, neemt de Raad zijn besluiten met gekwalificeerde meerderheid van stemmen.
2003
  • 2. 
    De Raad van ministers bestaat voor elke Raadsformatie uit een vertegenwoordiger van elke lidstaat op ministerieel niveau die gemachtigd is om de lidstaat die hij vertegenwoordigt te binden en het stemrecht uit te oefenen.
2003
  • 2. 
    De Raad van ministers bestaat voor iedere Raadsformatie uit een vertegenwoordiger van iedere lidstaat op ministerieel niveau die gemachtigd is om de lidstaat die hij vertegenwoordigt, te binden en het stemrecht uit te oefenen.
2003
  • 1. 
    De Raad oefent samen met het Europees Parlement de wetgevingstaak en de begrotingstaak uit. Hij oefent onder de in de Grondwet vastgelegde voorwaarden beleidsbepalende en coördinerende taken uit.
  • 2. 
    De Raad bestaat uit een vertegenwoordiger van iedere lidstaat op ministerieel niveau, die gemachtigd is om de regering van de lidstaat namens welke hij optreedt, te binden en het stemrecht uit te oefenen.
  • 3. 
    Tenzij in de Grondwet anders is bepaald, besluit de Raad van Ministers met gekwalificeerde meerderheid van stemmen.

 

Noot PDC

De Groep juridische deskundigen van de IGC heeft de eerste paragraaf van lid 4 van artikel I-24 overgeheveld naar artikel I-33, lid 4. De tweede paragraaf van dit verdwenen lid was ondergebracht bij bovenstaand artikel I-22, maar is vervolgens door het Italiaanse voorzitterschap geschrapt (document CIG 60/03 ADD 1).

De geschrapte tekst van dit overgehevelde vierde lid luidde:

In de gevallen waarin Deel III bepaalt dat de Raad op een bepaald gebied met eenparigheid van stemmen besluit, kan de Europese Raad met eenparigheid van stemmen bij Europees besluit bepalen dat de Raad op dat gebied met gekwalificeerde meerderheid kan besluiten. Ieder initiatief van de Europese Raad op grond van dit lid wordt ten minste vier maanden voordat het besluit wordt vastgesteld, aan de nationale parlementen toegezonden. Dit lid is niet van toepassing op besluiten met militaire gevolgen of op besluiten op het gebied van defensie.

2004
  • 1. 
    De Raad oefent samen met het Europees Parlement de wetgevingstaak en de begrotingstaak uit. Hij oefent onder de bij de Grondwet bepaalde voorwaarden beleidsbepalende en coördinerende taken uit.
  • 2. 
    De Raad bestaat uit een vertegenwoordiger van iedere lidstaat op ministerieel niveau, die gemachtigd is om de regering van de lidstaat die hij vertegenwoordigt, te binden en om het stemrecht uit te oefenen.
  • 3. 
    Tenzij in de Grondwet anders is bepaald, besluit de Raad met gekwalificeerde meerderheid van stemmen.