Artikel I-29: Het Hof van Justitie van de Europese Unie

I-28
Artikel I-29
I-30
  • 1. 
    Het Hof van Justitie van de Europese Unie omvat het Hof van Justitie, het Gerecht en gespecialiseerde rechtbanken. Het verzekert de eerbiediging van het recht bij de uitlegging en toepassing van de Grondwet.

    De lidstaten voorzien in de nodige rechtsmiddelen om daadwerkelijke rechtsbescherming op de onder het recht van de Unie vallende gebieden te verzekeren.

  • 2. 
    Het Hof van Justitie bestaat uit één rechter per lidstaat. Het wordt bijgestaan door advocaten generaal.

    Het Gerecht telt ten minste één rechter per lidstaat.

    De rechters en de advocaten-generaal van het Hof van Justitie en de rechters van het Gerecht worden gekozen uit personen die alle waarborgen voor onafhankelijkheid bieden en voldoen aan de voorwaarden bedoeld in de artikelen III-355 en III-356. Zij worden in onderlinge overeenstemming door de regeringen van de lidstaten voor zes jaar benoemd. De aftredende rechters en advocaten generaal zijn herbenoembaar.

  • 3. 
    Het Hof van Justitie van de Europese Unie doet uitspraak overeenkomstig deel III:
    • a) 
      inzake door een lidstaat, een instelling of een natuurlijke of rechtspersoon ingesteld beroep;
    • b) 
      op verzoek van de nationale rechterlijke instanties bij wijze van prejudiciële beslissing over de uitlegging van het recht van de Unie en over de geldigheid van de handelingen van de instellingen;
    • c) 
      in de overige bij de Grondwet bepaalde gevallen.

Inhoudsopgave van deze pagina:

2.

Toelichting Nederlandse regering

Nederland heeft zich tijdens de Conventie en de daaropvolgende IGC sterk gemaakt voor een slagvaardig Hof van Justitie. De juridische toetsing door het Hof is een essentieel onderdeel van de communautaire methode. In de Conventie is in een aparte werkgroep gesproken over het Hof. Nederland heeft daarin actief deelgenomen en heeft verscheidene papers ingebracht, onder meer in samenwerking met Spanje (buza030110).

De bepalingen uit het Grondwettelijk Verdrag met betrekking tot het Hof van Justitie zijn voor het overgrote deel overgenomen uit het EG-Verdrag. De institutionele bepaling van artikel I-29 wordt nader uitgewerkt in de artikelen III-353 tot en met III-381. De belangrijkste wijzigingen ten opzichte van het EG-Verdrag hebben betrekking op de naamgeving, de omvang van de rechtsmacht van het Hof, de toegang tot het Hof en de verkorting van een aantal procedures.

Artikel I-29 verandert allereerst de naam van de instelling: de instelling heet "Hof van Justitie van de Europese Unie" en omvat het Hof van Justitie, het Gerecht van de Europese Unie en gespecialiseerde gerechten (artikel I-29, eerste lid). De verhouding tussen deze drie organen is echter ongewijzigd.

Voor de oprichting van een gespecialiseerde gerecht is niet langer unanimiteit in de Raad vereist, zoals blijkt uit het artikel III-359. Ook versterkt artikel III-359 de rol van het Europees Parlement in deze procedure; het beschikt onder het Grondwettelijk Verdrag over een medebeslissingsrecht.

Het tweede lid van artikel I-29 bevat de eisen waaraan de rechters en de advocaten-generaal bij het Hof moeten voldoen. Dit wordt nader uitgewerkt in het nieuwe artikel III-357; een Comité zal de lidstaten adviseren over de geschiktheid van kandidaten voor de uitoefening van het ambt van rechter of advocaat-generaal.

Jurisdictie

Artikel I-29, derde lid, geeft in algemene bewoordingen aan wanneer het Hof bevoegd is. De precieze voorwaarden worden verder uitgewerkt in Deel III van het Grondwettelijk Verdrag. Door de opheffing van de pijlerstructuur is de rechtsmacht van het Hof ten opzichte van het EG-Verdrag uitgebreid (artikel III-365). Onderdelen van de samenwerking op het terrein van de ruimte van vrijheid, veiligheid en recht (artikel III-376 respectievelijk artikel III-377), alsmede onderdelen van het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid vallen in het Grondwettelijk Verdrag onder de rechtsmacht van het Hof.

De jurisdictie van het Hof op het terrein van het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid is beperkt tot een oordeel over de bevoegdheid van de instellingen en organen en de gevolgde besluitvormingsprocedures (artikel III-376). Ook kan het Hof toezicht houden op de wettigheid van Europese besluiten die beperkende maatregelen inhouden jegens natuurlijke personen of rechtspersonen in het kader van het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid (Hoofdstuk II van Titel V). Verder kan het Hof op grond van artikel III-325, elfde lid, advies uitbrengen over de verenigbaarheid van een voorgenomen verdrag, ook op het gebied van het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid, met de bepalingen van het Grondwettelijk Verdrag.

Op het terrein van justitiële en politiële samenwerking blijft een beperkte uitzondering op de bevoegdheid van het Hof gehandhaafd (artikel III-377). Het Hof is niet bevoegd de geldigheid of de evenredigheid na te gaan van operaties van de politie of van andere instanties van een lidstaat belast met wetshandhaving of de uitoefening van de verantwoordelijkheden van de lidstaten ten aanzien van de handhaving van de openbare orde en de bescherming van de binnenlandse veiligheid.

Verder breidt het Grondwettelijk Verdrag de mogelijkheden uit beroep in te stellen tegen handelingen (of het nalaten daarvan) van instellingen, organen en instanties van de Unie waarmee rechtsgevolgen ten aanzien van derden worden beoogd (III-365, eerste lid en III-367). Ook de handelingen van de Europese Raad die rechtsgevolgen ten aanzien van derden beogen vallen hieronder. Nederland heeft daarvoor met succes gepleit in de IGC.

Toegang tot het Hof van Justitie

Naast de bevoegdheid van het Hof is ook de toegang tot het Hof verruimd. Allereerst is de toegang voor particulieren verruimd. Onder het EG-verdrag kon een particulier alleen tegen een maatregel van algemene strekking opkomen als hij daardoor zowel rechtstreeks als individueel was geraakt. Het Grondwettelijk Verdrag laat de voorwaarde om individueel geraakt te zijn vallen en geeft een particulier de mogelijkheid op te komen tegen een regelgevingshandeling waardoor hij rechtstreeks is geraakt en die geen uitvoeringsmaatregelen met zich meebrengen. De precieze gevolgen van deze verruiming zullen afhangen van de manier waarop het Hof deze nieuwe bepaling in de jurisprudentie interpreteert.

Vervolgens voorziet artikel III-365, derde lid, expliciet in de mogelijkheid voor het Comité van de Regio's beroep in te stellen bij het Hof dat op de vrijwaring van zijn prerogatieven is gericht.

Een laatste verruiming van de toegang tot het Hof betreft de politiële en justitiële samenwerking. Iedere nationale rechter, die in een voor hem aanhangige zaak stuit op een vraag van Europees recht, mag daarover een vraag aan het Hof voorleggen. De mogelijkheid die lidstaten onder het EU-Verdrag hadden dit te beperken tot alleen de hoogste rechter is vervallen.

De verruiming van de toegang tot het Hof van Justitie, zowel voor burgers als voor nationale rechters, ziet de regering als een belangrijk winstpunt van het Grondwettelijk Verdrag. Deze verruiming vormt een versterking van de rechtsgemeenschap die de Unie ontegenzeglijk is. Zij zal bijdragen aan een grotere betrokkenheid van de burger en aan een stevigere vervlechting van de nationale rechtsordes en de Europese rechtsorde.

Stroomlijning procedures

In de verscheidene procedures van het Hof is ook de nodige tijdwinst gerealiseerd. De regering heeft steeds bepleit de procedures voor het Hof van Justitie binnen een redelijke termijn af te ronden. Dit streven is gerealiseerd in het kader van de inbreukprocedures (artikelen III-360 en III-362) en in het kader van de prejudiciële procedure (artikel III-369).

Voorts kan de Commissie een lidstaat, die geen of onvoldoende uitvoering geeft aan een arrest van het Hof, eenvoudiger opnieuw voor het Hof dagen. Nadat de Commissie de betreffende lidstaat de mogelijkheid heeft geboden zijn opmerkingen te maken, kan zij meteen naar het Hof om nakoming te vragen (artikel III-362).

Eveneens is er tijdswinst als een lidstaat zijn meldplicht niet nakomt van maatregelen ter uitvoering van een Europese kaderwet. Artikel III-362, derde lid, geeft de Commissie de mogelijkheid het Hof onmiddellijk in de eerste procedure te vragen een dwangsom of boete te bepalen.

Een laatste, door de regering noodzakelijk geachte, bespoediging van procedures is opgenomen in artikel III-369, vierde alinea. Als door een nationale rechter een prejudiciële vraag wordt gesteld in een procedure die betrekking heeft op een gedetineerde persoon, moet het Hof zo spoedig mogelijk uitspraak doen. De spoedige afwikkeling van de procedure wordt een verplichting die op het Hof zelf rust. De detentie waarom het hier gaat, kan zowel van strafrechtelijke als van vreemdelingenrechtelijke aard zijn. Een behandelingsprocedure van meer dan twee jaar op deze gebieden kan geen enkele lidstaat zich veroorloven. De regering heeft actief gepleit voor deze opname.

Artikel III-381 verwijst ten slotte naar het Protocol betreffende het statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie (Protocol 3). Het statuut, dat van toepassing is op zowel Hof van Justitie, Gerecht van de Europese Unie als gespecialiseerde gerechten, is aangepast aan de nieuwe bepalingen van het Grondwettelijk Verdrag en kan worden gewijzigd met gekwalificeerde meerderheid, daar waar het EG-verdrag unanimiteit voorschreef. Wijziging geschiedt bij

Europese wet. De rol van het Europees Parlement is uitgebreid tot die van medewetgever. Titel I van het statuut (dat ziet op de status van rechters en advocaten-generaal) en artikel 64 van het statuut (dat ziet op het unanimiteitsvereiste bij de besluitvorming over het talenregime) kunnen echter alleen bij verdrag gewijzigd worden. Overigens wordt het daadwerkelijke talenregime in de desbetreffende Reglementen voor de procesvoering van het Hof en het Gerecht geregeld. Deze reglementen kunnen volgens de gewone wetgevingsprocedure worden gewijzigd, waarbij de Raad echter met unanimiteit dient te beslissen als het gaat om het talenregime.

3.

Toelichting Belgische regering

Algemene toelichting

Elke democratische samenleving veronderstelt een rechterlijk toezicht op de wettigheid van de aangenomen (rechts)handelingen. De Grondwet breidt de bevoegdheden van het Hof van Justitie van de Unie in aanzienlijke mate uit.

Deze uitbreiding is vooral merkbaar op het gebied van asiel en immigratie en op dat van de politiële en justitiële samenwerking in strafzaken. Het Hof zal zijn bevoegdheden op deze gebieden voortaan op dezelfde manier kunnen uitoefenen als op de andere communautaire beleidsterreinen.

De toegang van natuurlijke en rechtspersonen tot het Hof wordt uitgebreid tot de (niet-wetgevende) regelgevingshandelingen van de Unie die hen rechtstreeks raken en tot individuele sancties die in het kader van het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid zijn genomen.

Het Comité van de regio's krijgt bovendien het recht om klacht in te dienen bij het Hof wanneer het gaat om de vrijwaring van zijn prerogatieven of het toezicht op de naleving van het subsidiariteitsbeginsel in de wetgevingshandelingen waarvoor het moet worden geraadpleegd.

In het kader van de controle op de subsidiariteit is voortaan ook beroep bij het Hof mogelijk op initiatief van de nationale parlementen.

Bij dit artikel

Volgens artikel I-29 omvat het Hof van Justitie van de Europese Unie het Hof van Justitie, het Gerecht (nieuwe benaming voor het Gerecht van eerste aanleg) en gespecialiseerde rechtbanken.

De procedure voor de voordracht van de rechters is gewijzigd door de oprichting in artikel III-357 van een onafhankelijk comité dat de lidstaten adviseert over de geschiktheid van de kandidaten . De bevoegdheden van het Hof zijn bovendien uitgebreid (zie artikel III-353 en volgende).

De aanstelling van de rechters en advocaten-generaal van het Hof van Justitie zal met een voorbereidende fase gebeuren. De kandidaten worden voor hun benoeming beoordeeld door een comité dat advies moet geven over de geschiktheid van de kandidaten voor de uitoefening van de ambten van rechter of advocaat-generaal (artikel III-357).

Gespecialiseerde rechtbanken van de Europese Unie kunnen voortaan worden ingesteld door middel van een gewone wetgevingsprocedure (gekwalificeerde meerderheid in de Raad en medebeslissing). Momenteel is hiervoor eenparigheid van stemmen in de Raad nodig, na raadpleging van het Europees Parlement (artikel III-359).

Het Hof van Justitie kan -- zonder dat de Commissie hiervoor een tweede procedure moet instellen -- de betaling van een forfaitaire som of dwangsom opleggen aan een lidstaat, wanneer het vaststelt dat de betrokken lidstaat zijn verplichting tot de mededeling van voorschriften ter omzetting van een kaderwet niet is nagekomen (artikel III-362, lid 3). Deze wijziging is niet zonder gevolgen. Het risico van een dwangsom in geval van niet-omzetting zal dus toenemen.

Indien het verzuim een niet-naleving van een vorig arrest van het Hof betreft, kan de Commissie zich bovendien onmiddellijk na de ingebrekestelling tot het Hof wenden om dit verzuim te laten vaststellen, dus zonder de betrokken lidstaat eerst een met redenen omkleed advies te bezorgen (artikel III-362, lid 2).

De handelingen van de Europese Raad en de handelingen van de agentschappen van de Europese Unie maken voortaan deel uit van de handelingen waarvan de wettigheid kan worden gecontroleerd (artikel III-365) en waarvoor beroep wegens verzuim kan worden aangetekend (artikel III-367).

Het recht van natuurlijke of rechtspersonen om zich tot het Hof te wenden, wordt uitgebreid. Zij kunnen voortaan niet alleen beroep instellen tegen handelingen van de Europese Unie die tot hen gericht zijn of die hen rechtstreeks en individueel raken, maar ook tegen (niet-wetgevende) regelgevingshandelingen die hen rechtstreeks raken en die geen uitvoeringsmaatregelen met zich brengen (III-365, vierde lid). België had in het kader van de Conventie voor deze uitbreiding gepleit.

Het Hof van Justitie is voortaan bevoegd om op te treden op het vlak van de justitiële samenwerking in strafzaken en op het vlak van de politiële samenwerking, maar niet om de geldigheid en evenredigheid na te gaan van operaties van de politie of de uitoefening van de verantwoordelijkheden van de lidstaten ten aanzien van de handhaving van de openbare orde en de bescherming van de binnenlandse veiligheid (artikel III-377).

Het Hof is niet bevoegd op het vlak van het buitenlands en veiligheidsbeleid, behalve in twee gevallen. Zo kan het Hof controleren of de voorwaarden en limieten voor de uitvoering van het GBVB worden nageleefd. Volgens een Belgisch voorstel kan het eveneens de wettigheid controleren van de besluiten van het GBVB inzake maatregelen jegens natuurlijke personen of rechtspersonen (artikel III-376).

4.

Ontwikkeling artikel

1984
  • 1. 
    Het Hof van Justitie verzekert de eerbiediging van het recht bij de uitlegging en toepassing van dit Verdrag en van de uit hoofde daarvan aangenomen besluiten.
  • 2. 
    De leden van het Hof worden voor de helft door het Parlement en voor de helft door de Raad van de Unie benoemd. Indien het aantal leden oneven is; benoemt het Parlement één lid meer dan de Raad.
  • 3. 
    De organisatie van het Hof, het aantal en de rechtspositie van zijn leden en de ambtsperiode worden geregeld bij een organieke wet, waarin tevens de procedure voor hun benoeming en de daarvoor vereiste meerderheden zijn vastgelegd. Tot de inwerkingtreding van deze wet zijn de ter zake geldende voorschriften van de communautaire Verdragen en de uitvoerings maatregelen daarvan van toepassing op het Hof van Justitie van de Unie.
  • 4. 
    Het Hof van Justitie stelt zijn Reglement van orde vast.

Toelichting

In de toelichting bij dit ontwerp-Verdrag becommentarieerde Spinelli de rol van het Europees Hof van Justitie in het institutionele systeem als volgt:

  • 27. 
    Het Hof van Justitie, aan de benoeming waarvan thans ook het Parlement deelneemt, verkrijgt uitgebreider bevoegdheden voor de uniforme interpretatie van het recht (cassatie van interne arresten in tegenstelling tot het communautair recht) en voor de bescherming van de fundamentele rechten.
1994

De taken van het Hof van Justitie zijn omschreven in de artikelen 36 t/m 39.

Het Hof van Justitie bestaat uit rechters en advocaten-generaal.

De rechters en de advocaten-generaal, gekozen uit personen die alle waarborgen voor onafhankelijkheid bieden en aan alle gestelde eisen voldoen om in hun respectieve landen de hoogste gerechtelijke ambten te bekleden, of die bekend staan als kundige rechtsgeleerden, worden benoemd door het Europees Parlement, dat beslist met de meerderheid van zijn leden, en door de Raad voor een niet-verlengbaar mandaat van 9 jaar. De procedure voor deze benoeming wordt vastgesteld bij organieke wet.

2003
  • 1. 
    Het Hof van Justitie, met inbegrip van de Rechtbank van de Europese Unie, verzekert de eerbiediging van de Grondwet en van het recht van de Unie.

    De lidstaten voorzien in de nodige rechtsmiddelen om effectieve rechtsbescherming op het gebied van het recht van de Unie te waarborgen.

  • 2. 
    Het Hof van Justitie bestaat uit een rechter per lidstaat en wordt bijgestaan door advocatengeneraal. De Rechtbank van de Europese Unie bestaat uit ten minste een rechter per lidstaat: het aantal rechters wordt vastgesteld in het Statuut van het Hof van Justitie. De rechters van het Hof van Justitie en van de Rechtbank van de Europese Unie en de advocaten-generaal van het Hof van Justitie, gekozen uit personen die alle waarborgen voor onafhankelijkheid bieden en voldoen aan de voorwaarden van artikel [XX] van deel II, worden in onderlinge overeenstemming door de regeringen van de lidstaten voor een ambtstermijn van zes jaar benoemd. De leden zijn herbenoembaar.
  • 3. 
    Het Hof van Justitie is bevoegd uitspraak te doen
    • inzake een door de Commissie, een lidstaat, een instelling of een natuurlijke of rechtspersoon ingesteld beroep in de gevallen en op de wijze als aangegeven in artikel [YY] van deel II;
    • bij wijze van prejudiciële beslissing, op verzoek van de nationale rechterlijke instanties, over de uitlegging van het recht van de Unie of over de geldigheid van de handelingen van de instellingen;
    • beslissingen van de Rechtbank ingesteld hoger beroep of uitzonderlijkerwijs tot herziening van deze beslissingen, onder de voorwaarden van het Statuut van het Hof.

Voetnoot bij lid 2

Wat het Hof van Justitie betreft, heeft de door de heer Vitorino voorgezeten studiegroep ook de mogelijkheid besproken van een niet-hernieuwbare ambtstermijn van negen of twaalf jaar.

2003
  • 1. 
    Het Hof van Justitie verzekert de eerbiediging van het recht bij de uitlegging en toepassing van de Grondwet. Het Hof van Justitie omvat bovendien de Rechtbank van de Europese Unie en gespecialiseerde rechtbanken. De lidstaten voorzien in de nodige rechtsmiddelen om effectieve rechtsbescherming op het gebied van het recht van de Unie te waarborgen.
  • 2. 
    Het Hof van Justitie bestaat uit een rechter per lidstaat en wordt bijgestaan door advocaten-generaal. De Rechtbank van de Europese Unie bestaat uit ten minste een rechter per lidstaat: het aantal rechters wordt vastgesteld in het Statuut van het Hof van Justitie. De rechters en de advocaten-generaal van het Hof van Justitie en de rechters van de Rechtbank van de Europese Unie, gekozen uit personen die alle waarborgen voor onafhankelijkheid bieden en voldoen aan de voorwaarden van de artikelen III-256 en III-257, worden in onderlinge overeenstemming door de regeringen van de lidstaten voor een ambtstermijn van zes jaar benoemd. De leden zijn herbenoembaar.
  • 3. 
    Het Hof van Justitie:
    • doet uitspraak inzake door een lidstaat, een instelling of een natuurlijke of rechtspersoon ingesteld beroep overeenkomstig bepaalde van deel III;
    • geeft, op verzoek van de nationale rechterlijke instanties, prejudiciële beslissingen over de uitlegging van het recht van de Unie en over de geldigheid van de handelingen van de instellingen;
    • doet uitspraak inzake andere in de Grondwet voorziene gevallen.
2003
  • 1. 
    Het Hof van Justitie omvat het Europees Hof van Justitie, de Rechtbank van de Europese Unie en gespecialiseerde rechtbanken. Het Hof verzekert de eerbiediging van het recht bij de uitlegging en toepassing van de Grondwet.

    De lidstaten voorzien in de nodige rechtsmiddelen om effectieve rechtsbescherming op het gebied van het recht van de Unie te waarborgen.

  • 2. 
    Het Hof van Justitie telt één rechter per lidstaat en wordt bijgestaan door advocaten-generaal.

    De Rechtbank van de Europese Unie telt ten minste één rechter per lidstaat. Het aantal rechters wordt in het Statuut van het Hof van Justitie bepaald.

    De rechters en de advocaten-generaal van het Hof van Justitie en de rechters van de Rechtbank van de Europese Unie, gekozen uit personen die alle waarborgen voor onafhankelijkheid bieden en voldoen aan de voorwaarden van de artikelen III-260 en III-261, worden in onderlinge overeenstemming door de regeringen van de lidstaten voor een ambtstermijn van zes jaar benoemd. De leden zijn herbenoembaar.

  • 3. 
    Het Hof van Justitie:
    • doet uitspraak inzake door een lidstaat, een instelling of een natuurlijke of rechtspersoon ingesteld beroep overeenkomstig bepaalde van deel III;
    • geeft, op verzoek van de nationale rechterlijke instanties, prejudiciële beslissingen over de uitlegging van het recht van de Unie en over de geldigheid van de handelingen van de instellingen;
    • doet uitspraak inzake andere in de Grondwet bepaalde gevallen.
2003
  • 1. 
    Het Hof van Justitie van de Europese Unie omvat het Hof van Justitie, de Rechtbank van de Europese Unie en gespecialiseerde rechtbanken. Het Hof verzekert de eerbiediging van het recht bij de uitlegging en toepassing van de Grondwet.

    De lidstaten voorzien in de nodige rechtsmiddelen om effectieve rechtsbescherming op de onder het recht van de Unie vallende gebieden te waarborgen.

  • 2. 
    Het Europees Hof van Justitie bestaat uit één rechter per lidstaat. Het wordt bijgestaan door advocaten-generaal.

    De Rechtbank van de Europese Unie telt ten minste één rechter per lidstaat.

    De rechters en de advocaten-generaal van het Hof van Justitie en de rechters van de Rechtbank van de Europese Unie worden gekozen uit personen die alle waarborgen voor onafhankelijkheid bieden en voldoen aan de voorwaarden van de artikelen III-260 en III-261.

    Zij worden in onderlinge overeenstemming door de regeringen van de lidstaten voor een periode van zes jaar benoemd. De rechters en advocaten-generaal zijn herbenoembaar.

  • 3. 
    Het Hof van Justitie van de Europese Unie doet uitspraak overeenkomstig het bepaalde van deel III:
    • a) 
      inzake door een lidstaat, een instelling of een natuurlijke of rechtspersoon ingesteld beroep;
    • b) 
      geeft, op verzoek van de nationale rechterlijke instanties, prejudiciële beslissingen over de uitlegging van het recht van de Unie en over de geldigheid van de handelingen van de instellingen;
    • c) 
      doet uitspraak inzake de andere in de Grondwet bepaalde gevallen.
2004
  • 1. 
    Het Hof van Justitie van de Europese Unie omvat het Hof van Justitie, het Gerecht en gespecialiseerde rechtbanken. Het verzekert de eerbiediging van het recht bij de uitlegging en toepassing van de Grondwet.

    De lidstaten voorzien in de nodige rechtsmiddelen om daadwerkelijke rechtsbescherming op de onder het recht van de Unie vallende gebieden te verzekeren.

  • 2. 
    Het Hof van Justitie bestaat uit één rechter per lidstaat. Het wordt bijgestaan door advocaten generaal.

    Het Gerecht telt ten minste één rechter per lidstaat.

    De rechters en de advocaten-generaal van het Hof van Justitie en de rechters van het Gerecht worden gekozen uit personen die alle waarborgen voor onafhankelijkheid bieden en voldoen aan de voorwaarden bedoeld in de artikelen III-355 en III-356. Zij worden in onderlinge overeenstemming door de regeringen van de lidstaten voor zes jaar benoemd. De aftredende rechters en advocaten generaal zijn herbenoembaar.

  • 3. 
    Het Hof van Justitie van de Europese Unie doet uitspraak overeenkomstig deel III:
    • a) 
      inzake door een lidstaat, een instelling of een natuurlijke of rechtspersoon ingesteld beroep;
    • b) 
      op verzoek van de nationale rechterlijke instanties bij wijze van prejudiciële beslissing over de uitlegging van het recht van de Unie en over de geldigheid van de handelingen van de instellingen;
    • c) 
      in de overige bij de Grondwet bepaalde gevallen.