Tweede Afdeling, Van den Koning

Inhoudsopgave van deze pagina:

  1. Kroon van Holland behoort aan Lodewijk Napoleon en zijn mannelijke afstammelingen, uitsluiting vrouwelijke afstammelingen
  2. De persoon des konings is onschendbaar
  3. Kronen van Frankrijk en Holland worden nimmer verenigd
  4. Koning van Holland is Groot Dignitaris van het Keizerrijk
  5. Regentschap; Meerderjarigheid
  6. Regent voorziet in eenen Raad van Nationalen, geen persoonlijke verantwoordelijkheid regent
  7. Na overlijden Koning voert Koningin-moeder toezicht op minderjarige troonopvolger, mogelijke rol Keizer der Franschen
  8. Koning heeft volle uitoefening der Regering en alle uitvoerende Magt
  9. Koning benoemt ministers van Staat voor uitvoering Generaal Bestuur
  10. Groot Officieren van het Rijk
  11. Staatsraad: benoemingsprocedure en samenstelling
  12. Eisen aan Ministers van Staat en Leden Staatsraad
  13. Mandaat Raad van State
  14. Koning is Opperhoofd Vloten en Legers, bepaling militaire rangen
  15. Koning benoemt Buitenlandsche Ministers, Zee- en Land-Officieren, Nationale Ambtenaren, en Leden van Regtbanken
  16. Mandaat op justitieel gebied
  17. Recht van bekrachtiging van Tractaten; geheime artikelen
  18. Bestiering der Koloniën en derzelver innerlijke Regering
  19. Beeldtenis munten
  20. Gratie
  21. Koning opent en sluit zittingen van het Wetgevend Ligchaam
  22. Procedure wetgevingsproces
  23. Opperbestuur Nationale Geldmiddelen
  24. Beschikking over Geldmiddelen van den Staat
  25. Verlening pensioenen
  26. Begrooting van Staatsbehoeften
  27. Nationale Rekenkamer; Leden
  28. Residentie Gouvernement
  29. Kroondomein, inkomen Koning
  30. Inkomen koningin
  31. Koning geniet vrije en openbare uitoefening van zijnen Godsdienst
  32. Eed des Konings

19.

Kroon van Holland behoort aan Lodewijk Napoleon en zijn mannelijke afstammelingen, uitsluiting vrouwelijke afstammelingen

De Kroon van Holland behoort aan Zijne Majesteit LODEWIJK NAPOLEON, ten einde bekleed te worden door hem, en door zijne natuurlijke, wettige en mannelijke afstammelingen, hij orde van eerstgeboorte, bij altoosdurende uitsluiting der Vrouwen en van derzelver afstammelingen.

20.

De persoon des konings is onschendbaar

De persoon des Konings is onschendbaar.

21.

Kronen van Frankrijk en Holland worden nimmer verenigd

De Kronen van Frankrijk en Holland kunnen nimmer op hetzelfde Hoofd vereenigd worden.

22.

Koning van Holland is Groot Dignitaris van het Keizerrijk

De Koning van Holland zal altoosdurend Groot Dignitaris van het Keizerrijk zijn, onder den titel van Connétable.

23.

Regentschap; Meerderjarigheid

Ingeval van minderjarigheid, behoort het Regentschap van regtswege aan de Koningin.

Bij ontstentenis van Hoogstdezelve, wordt de Regent van het Koningrijk door den Keizer der Franschen, in hoedanigheid van altoosdurend Opperhoofd der Keizerlijke Famille benoemd, uit de Prinsen van den Bloede, en bij ontstentenis uit de Nationalen.

De minderjarigheid der Koningen eindigt met den vollen ouderdom van achttien jaren.

24.

Regent voorziet in eenen Raad van Nationalen, geen persoonlijke verantwoordelijkheid regent

De Regent zal voorzien zijn van eenen Raad van Nationalen, waarvan de zamenstelling en attributen bij eene bijzondere Wet zullen worden bepaald.

De Regent zal niet persoonlijk verantwoordelijk zijn voor de daden van zijn Bestuur.

25.

Na overlijden Koning voert Koningin-moeder toezicht op minderjarige troonopvolger, mogelijke rol Keizer der Franschen

Bij den dood des Konings zal het toevoorzicht over de Persoon van den minderjarigen Koning steeds toebetrouwd zijn aan de Koninginne Moeder, en bij ontstentenis aan zoodanige Persoon, als daartoe door den Keizer der Franschen zal worden aangewezen.

26.

Koning heeft volle uitoefening der Regering en alle uitvoerende Magt

De Koning heeft, bij uitsluiting en zonder restrictie, de volle uitoefening der Regering en van alle de Magt, benoodigd om de uitvoering der Wetten van den Staat te verzekeren, en dezelve te doen eerbiedigen.

27.

Koning benoemt ministers van Staat voor uitvoering Generaal Bestuur

Het Generaal Bestuur des Koningrijks is onder het onmiddelijk toevoorzigt van Ministers van Staat; de Koning benoemt dezelve, en bepaalt hun getal en werkzaamheden.

28.

Groot Officieren van het Rijk

De Koning heeft de aanstelling en benoeming der Groot Officieren van het Rijk: Hij regelt hun rang, getal en attributen.

29.

Staatsraad: benoemingsprocedure en samenstelling

De Koning benoemt een Staatsraad; de Ministers hebben rang, zitting en delibererende stem in den Staatsraad.

30.

Eisen aan Ministers van Staat en Leden Staatsraad

De Ministers van Staat en Leden van den Staatsraad moeten zijn Stemgeregtigde Burgers, den vollen ouderdom van dertig jaren bereikt hebbende, geboren in het Rijk, of in een der Koloniën van den Staat, en in 't Rijk gedurende de laatste zes jaren vóór de verkiezing hebben gewoond; het vereischte van inwoning sluit niet uit de zoodanigen, die Reipublicae causa zijn afwezig geweest.

31.

Mandaat Raad van State

De Koning vraagt van den Staatsraad deszelfs consideratiën en advis over zoodanige zaken, als hij zal goedvinden.

Hij neemt geen Besluit tot Voordragt eener Wet aan de Vergadering van Hun Hoog Mogenden, dan na alvorens den Staatsraad, omtrent het ontwerp dier Wet, te hebben gehoord.

32.

Koning is Opperhoofd Vloten en Legers, bepaling militaire rangen

De Koning is het Opperhoofd van de Vloten en Legers. De militaire rangen worden door Hem bepaald en toegewezen.

33.

Koning benoemt Buitenlandsche Ministers, Zee- en Land-Officieren, Nationale Ambtenaren, en Leden van Regtbanken

De Koning heeft de aanstelling van alle Buitenlandsche Ministers, alle Zee- en Land-officieren, alle Nationale Ambtenaren van den Staat, alle de Officieren van Justitie, en eindelijk van alle de Leden van Regtbanken, tot de zaken van het Algemeen Bestuur behoorende. De Leden van de Nationale Rekenkamer en van het Nationaal Geregtshof, mitsgaders de Procureur-Generaal bij dit Geregtshof en bij de Departementale Geregtshoven, worden gekozen op den voet, bij Art. 45 en 72 bepaald.

34.

Mandaat op justitieel gebied

De Koning zorgt voor de veiligheid en de waardigheid van den Staat, voor de handhaving en naarkoming der Wetten, voor de ongestoorde administratie der Justitie, als mede voor de Hooge Politie, zoo wel in Burgerlijke als Kerkelijke Zaken.

35.

Recht van bekrachtiging van Tractaten; geheime artikelen

De Koning bekrachtigt alle Tractaten en Overeenkomsten met vreemde Mogendheden. Dezelve worden als Wetten afgekondigd, na door den Koning aan de Vergadering van Hun Hoog Mogenden te zijn mede gedeeld.

De geheime artikelen zijn onder deze mededeeling niet begrepen: zij mogen echter niet strijdig zijn met de openbare Artikelen.

36.

Bestiering der Koloniën en derzelver innerlijke Regering

De Bestiering der Koloniën, en van alles wat derzelver innerlijke Regering betreft, behoort bij uitsluiting aan den Koning.

37.

Beeldtenis munten

De Munten van Staat worden met de Beeldtenis van den Koning geslagen.

38.

Gratie

De Koning heeft het regt van gratie, abolitie of remissie van straffen, bij Regterlijke Vonnissen opgelegd. Niet te min vermag hij dat regt niet oefenen, dan na alvorens de Leden van het Nationaal Geregtshof in geheime Rade te hebben gehoord.

39.

Koning opent en sluit zittingen van het Wetgevend Ligchaam

De Koning opent en sluit de zittingen van het Wetgevend Ligchaam.

40.

Procedure wetgevingsproces

De Koning begeeft zich in Persoon naar de Vergadering van Hun Hoog Mogenden, zoo dikwijls hij zulks zal goedvinden.

De Functiën van President der Vergadering houden op gedurende den tijd, dat de Koning zich in dezelve bevindt.

De Vergadering van Hun Hoog Mogenden raadpleegt nimmer in tegenwoordigheid des Konings.

De Concept-Wetten worden namens den Koning bij deze Vergadering ingediend, door eene Commissie uit den Staatsraad.

41.

Opperbestuur Nationale Geldmiddelen

De Koning heeft het opperbestuur van de Nationale Geldmiddelen. Hij bepaalt de vaste Jaarwedden der Nationale Ambtenaren.

42.

Beschikking over Geldmiddelen van den Staat

De Koning beschikt niet anders over de Geldmiddelen van den Staat, dan overeenkomstig de Wet.

43.

Verlening pensioenen

De Koning verleent Pensioenen, volgens de bepalingen daar omtrent door de Wet gemaakt.

44.

Begrooting van Staatsbehoeften

In het begin van elke gewone Zitting, levert de Koning aan het Wetgevend Ligchaam in, eene algemeene en uitgewerkte Begrooting van Staatsbehoeften over het volgend Jaar.

De Vergadering van Hun Hoog Mogenden kan daarin geene verandering maken; dezelve bewilligt daar in, of verwerpt deze algemeene Begrooting.

45.

Nationale Rekenkamer; Leden

Er zal eene Nationale Rekenkamer zijn; bij vacature zendt de Vergadering van Hun Hoog Mogenden aan den Koning eene Nominatie van zes Personen, welke door den Koning tot op de helft wordt verminderd, waaruit de Vergadering van Hun Hoog Mogenden de verkiezing doet.

46.

Residentie Gouvernement

De Koning heeft de bestelling van de Regering der Plaats, alwaar het Gouvernement resideert.

47.

Kroondomein, inkomen Koning

Het Domein van de Kroon zal bestaan:

In de eerste plaats: uit een Paleis in den Haag, het geen tot verblijf van het Koninklijke Huis bestemd zal zijn.

In de tweede plaats: uit het Paleis in het Haagsche Bosch.

In de derde plaats: uit het Domein van Soestdijk.

In de vierde plaats: uit een Inkomen van vijfmaal honderd duizend Guldens in vaste Goederen.

De Wet van den Staat verzekert daar en boven aan den Koning, eene Jaarlijksche Somme van vijftien maal honderd duizend Guldens Hollandsch Courant Geld, iedere Maand bij twaalfde gedeelte te betalen.

48.

Inkomen koningin

Het Lijftogtgoed der Koningin zal bij Huwelijksche Voorwaarden bepaald worden; voor ditmaal is overeengekomen: dat het zelve eene Jaarlijksche Somme van tweemaal honderd en vijftig duizend Guldens zal bedragen, welke uit het Domein van de Kroon opgebragt zal worden. Na aftrek van deze Somme, zal de helft van de overblijvende inkomsten van de Kroon dienen tot bekostiging van het onderhoud van het Huis van den minderjarigen Koning, terwijl de andere helft voor de onkosten van het Regentschap zal bestemd zijn.

49.

Koning geniet vrije en openbare uitoefening van zijnen Godsdienst

De Koning geniet in zijne Paleizen, mitsgaders in alle Plaatsen alwaar Hij resideeren zal, de vrije en openbare uitoefening van zijnen Godsdienst.

50.

Eed des Konings

De Eed des Konings luidt aldus:

"Ik zweer,

dat ik de Constitutie van het Koningrijk zal achtervolgen;

dat ik de integriteit van deszelfs Grondgebied zal handhaven;

dat ik zal eerbiedigen en doen eerbiedigen de Vrijheid van Godsdienst en gelijkheid, van Regten, en de Staatkundige en Burgerlijke Vrijheid;

dat ik geene Belastingen zal opleggen, dan uit krachte der Wet;

en dat ik in mijne Regering geen ander doel zal hebben, dan eeniglijk de bevordering van het Belang, de Welvaart, en de Roem der Natie."