De voorzetting van de behandeling van de ontwerpen van (rijks)wet: behandeling van 14222 en 6 andere Grondwetsvoorstellen

Inhoudsopgave van deze pagina:

1.

Tekst

Aan de orde is de voortzetting van de behandeling van de ontwerpen van (rijks)wet: Verklaring dat er grond bestaat een voorstel in overweging te nemen tot verandering in de Grondwet van bepalingen inzake de inrichting en de samenstelling van de Staten-Generaal (14222); Verklaring dat er grond bestaat een voorstel in overweging te nemen tot verandering in de Grondwet van de bepalingen inzake de verkiezing van de Tweede Kamer en de Eerste Kamer der Staten-Generaal (14223); Verklaring dat er grond bestaat een voorstel in overweging te nemen tot verandering in de Grondwet van bepalingen inzake de werkwijze van de Staten-Generaal (14224);

Vrouwenemancipatie Algemene Bijstandswet Grondwet

Verklaring dat er grond bestaat een voorstel in overweging te nemen tot verandering in de Grondwet van de bepalingen inzake het geven van in-lichtingen door de ministers en de staatssecretarissen en het recht van onderzoek (14225, R 1051); Verklaring dat er grond bestaat een voorstel in overweging te nemen tot verandering in de Grondwet van de bepalingen inzake de begroting (14226); Verklaring dat er grond bestaat een voorstel in overweging te nemen tot verandering in de Grondwet, strekkende tot opneming van een bepaling inzake de openbaarheid van bestuur (14348); Verklaring dat er grond bestaat een voorstel in overweging te nemen tot verandering in de Grondwet, strekkende tot het doen vervallen van het additionele artikel inzake heerlijke rechten (14457).

De algemene beraadslaging wordt hervat.

Motie

De Voorzitter: De heer Van Thijn heeft gisteren de indiening van een motie aangekondigd. Hij heeft mij gemachtigd mede te delen dat de motie nu mede namens de heer Patijn wordt in-gediend. Zij luidt: De Kamer, gehoord de beraadslaging; van oordeel, dat in ons democratisch staatsbestel de rechtstreeks gekozen volksvertegenwoordiging het laatste en beslissende woord behoort te hebben bij de aanvaarding van wetsontwerpen; nodigt de Regering uit, wetsontwerp 15047 inzake bepalingen betreffende de wetgevende macht te wijzigen overeenkomstig de volgende uitgangspunten: 1. zodra de Tweede Kamer een voorstel van wet heeft aangenomen zendt zij het aan de Eerste Kamer; 2. deze heeft gedurende drie maanden de gelegenheid dit wetsontwerp aan te nemen dan wel het ter heroverweging aan de Tweede Kamer terug te zenden; 3. wanneer de Eerste Kamer binnen de gestelde termijn dit wetsontwerp niet heeft aangenomen en evenmin gebruik heeft gemaakt van het recht van terugzending, wordt dit geacht door de Staten-Generaal te zijn aanvaard;

2048

Voorzitter 4. wanneer de Eerste Kamer van het recht van terugzending gebruik maakt is de eindbeslissing over het wetsontwerp, voor wat de Staten-Generaal betreft, aan de Tweede Kamer, en gaat over tot de orde van de dag Naar mij blijkt, wordt deze motie voldoende ondersteund. Zij krijgt nr. 18(14222). D De heer Abma (SGP): Mijnheer de Voorzitter! De verdelende gerechtigheid heb ik betracht, toen ik al de geagendeerde grondwetsvoorstellen naar evenredigheid gelijkelijk aandacht heb geschonken. En toch, in mijn bijdrage tot het debat van de gezamenlijke behandeling zal ik die beste-de aandacht voor de diverse voorstellen niet meetbaar tot uitdrukking brengen. De totale wijziging moet zich uiteraard wel uitstrekken over vele jaren. Een voortdurende deelname aan de procedure is bij wijle een enigermate ontmoedigende bemoeienis. Wat is het geval? Wij hebben bij eerdere gelegenheid onze twijfel kenbaar gemaakt voor de methode van de onderhavige revisie-operatie bij stukjes en beetjes. Het is, de gekozen methode in aanmerking genomen, geboden de systematiek niet uit het oog te verliezen. Via nota's en andere happenings in het verleden zijn de hoofdlijnen getrokken. Het betaamde de Regering binnen dat geschetste kader te opereren. Wanneer, ongeacht de verstreken tijd, de Regering zich daaraan niet had gehouden, had zij de paraplu moeten meenemen om zich tegen de verontwaardiging van de Kamer te beschermen. Ik hoor dat al. Ik vind dat de Kamer die beheersing ook had moeten opbrengen. Daarom vindt mijn fractie het ongelukkig wanneer bereids aanvaarde beslissingen opnieuw discutabel worden gemaakt. Het is ondoelmatig energieverbruik. Bovendien komt de systematiek in de gevarenzone. Taak en bevoegdheid van de Eerste Kamer mogen niet opnieuw ter discus sie komen. Hetzelfde geldt voor het geknaag aan de evenredige vertegenwoordiging via het lonken naar het districtenstelsel. Gesneuvelde stokpaardjes draven weer vrolijk rond; onkruid vergaat niet, stokpaardjes sterven niet. De beslissingen zijn gevallen. Wij kunnen niet aan de gang blijven. Ik wil beginnen met een aantal opmerkingen over de wetsontwerpen 14222 en 14223. Uiteindelijk hebben wij geen moeite met de betuiging dat de Staten-Generaal het gehele volk vertegenwoordigt. Weliswaar stelt een partij ons kandidaat voor het lidmaatschap, maar die partij verlangt en verwacht dat wij ons houden aan de uitspraken van Gods Woord, dat zegt: een ieder ziet niet alleen op het zijne, maar een ieder ziet ook op wat van de andere is. Daaruit volgt dat wij het ware welzijn van het gehele volk als totaliteit behoren te beogen. Terloops zij gezegd dat voor sternrecht een meer dan bijkomstige relatie tot het volk en primair het ingezetenschap een criterium is. Eerst vonden wij het woord 'gehele volk' aan de pleonastische kant. Toch verkiezen wij het nu, omdat het allen wil omvatten, van de ongeborenen tot hen die in de terminale levensfase verkeren. Het lijkt ons zodoende heel suggestief en inspirerend. De gehele volksvertegenwoordiging moet er zich van bewust zijn dat zij er heeft te zijn voor heel het volk. In de opsomming onder artikel 3.1.2, eerste lid, komt de Eerste Kamer achteraan. Moet dat nu zo nodig? Dat in artikel 3.1.2, tweede lid, van de Twee-de Kamer eerst het aantal leden wordt voorgeschreven is een argument dat men zelf kan creëren. Die constructie is bovendien zeer eenvoudig te verhelpen. Aan uitbreiding van het aantal leden van de Tweede Kamer, of van beide Kamers, hebben wij overigens voorshands geen behoefte. Elke verhoging vermeerdert wellicht het werk eerder, dan dat het het vermindert. Dat leden, zoals is opgemerkt, teleurgesteld, overspannen, ziek de Kamer verlaten zou even goed het gevolg kunnen zijn van het feit dat men juist binnen grote fracties zich zoveel inspanningen moet getroosten om zich wat te profileren. Het is logisch, de volgorde Eerste Kamer, Tweede Kamer aan te houden. De Voorzitter van de Eerste Kamer is toch ook Voorzitter van de Verenigde Vergadering? Wanneer iemand het verschil in politiek gewicht tot uitdrukking wil brengen, kan hij zich bedienen van de figuur van de climax. Die figuur bestaat toch nog? Of zit de bedoeling voor, zich via een schotje voor de boeg een voorschotje te veroorloven op de afschaffing van de Senaat? Het hinken-de paard komt reeds achteraan. De genadeslag kan de wetgever snel toebrengen. Het gaat een beetje op euthanasie lijken. Laten wij de raad der ouderen, voor zover toepasselijk voor de leden, verzekeren van onze referentie; ere wie ere toekomt. Over eed dan wel verklaring plus belofte van zuivering alsmede van trouw wil ik een enkele vraag stellen. Ik geef toe dat het woord 'zuivering' een begrip en een staande term is geworden. Toch deel ik de bezwaren van hen, die zich over die uitdrukking bezwaard gevoelen. Enfin, de bewindslieden weten geen ander woord. Blijkbaar is de kwalificatie 'integriteit' geen aanbeveling of wist zij geen aanbeveling te verwerven. Een belangrijke opmerking vind ik de navolgende. Mij is geleerd en ik heb het zelf vele jaren anderen ingeprent, dat niet slechts de valse eed -mijneed dus -een kwalijke zaak is, maar evenzeer de overbodige eed. De catechismus, die velen kennen -de Heidelberger -spreekt van onnodig zweren. Ik zou wel eens willen weten of de voorgestelde tekst van 3.1.11 de interpretatie toelaat dat leden, die slechts herkozen zijn en in feite hun ambt continueren, niet per se beide eden c.q. beloften behoeven af te leggen, zeker de laatste. Dit vraag ik ook daarom, omdat volgens 3.1.14.3 de ontbinding van de vorige Kamer ingaat op dezelf-de dag dat de nieuwgekozen Kamer samenkomt. Voor de periodieke verkiezing streeft men, als ik het goed heb begrepen, naar eenzelfde regeling. De eenmaal afgelegde eed of verklaring behoudt toch ten volle zijn (haar) kracht en geldigheid? Ik vraag dit tevens omdat een nieuwe formulering bij wet wordt overwogen. De mogelijkheid van voortzetting van het mandaat kan sober en summier in de nieuw te kiezen formule worden verwoord. De voorgestelde oplossing zou aan de plechtigheid van het aantreden van de nieuwe Kamer een zinvoller en eerbiediger karakter nog kunnen geven. Misschien geeft dit ook perspectief voor de opgeworpen vraag ten overstaan van wie de eden, c.q. de beloften moeten worden afgelegd, alhoewel wij de aflegging ten overstaan van de Koning zinvol achten. De winst per saldo van wat ik vraag, indien bevestigend beantwoord, zou in elk geval daarin bestaan dat onnodig zweren wordt voorkomen. Het spijt ons, dat de formule van eden en beloften in de Grondwet gaat ontbreken. Burgers van dit land -onderwijsgevenden met name -zullen eerder de Grondwet bij de hand hebben dan een complete verzameling van wetten. Waarom mogen ingezetenen en speciaal de jeugd, die enig in-zicht in het staatsrecht worden bijgebracht, niet weten met welke woorden exact de vertegenwoordigers van het volk hun integriteit en trouw hebben beloofd en gezworen?

Tweede Kamer 13 december 1979

Grondwet

2049

Abma Dat past zeer wel in het kader van de veelvuldig bepleite openheid en openbaarheid. Wij betreuren het dat de voorzittersbenoeming wordt verzakelijkt. Misschien willen sommigen mijn tekst corrigeren met het woord geontmythologiseerd: De gang van zaken, tot dusver onderstreept door de verbondenheid van het staatshoofd met de vertegenwoordiging van het volk. Zou het, indien deze voorgestelde regeling vastbesloten is, aanbeveling verdienen dat ten minste in die gevallen, dat een nieuwe voorzitter wordt verkozen, bij voorbeeld een deputatie van de Kamer een nieuwgekozen functionaris aan het staatshoofd voorstelt? Op die wijze blijft er toch iets van het oude gebruik overeind, functioneel zelfs. Ik geef toe: leeggelopen ceremonie-en kunnen verdwijnen, maar enige goede contacten tussen het staatshoofd en de volksvertegenwoordiging mogen ertoch zijn. Enig decorum mag ook zeker worden nagestreefd en gezien zijn gedragingen verwacht ik bij deze Minister een willig oor. Dit heeft althans zin en getuigt van een zekere hoffelijkheid, die in het verkeer van monarchie en volksvertegenwoordiging op haar plek zou kunnen zijn. Ikwil nu een opmerking maken over artikel 3.1.13. Ik vind, gelet op de steeds opnieuw en soms wat hypocriete becommentariëring van het besluit omtrent wat de Grondwet nu geldelijke voorzieningen noemt van de leden door pers en publieke opinie, het wel prudent, voor eventuele wijzigingen een tweederde meerderheid voor te schrijven. Ten slotte wat het eerste ontwerp betreft, de ontbinding van de Kamers. Wij willen ons gaarne aansluiten bij opmerkingen die mevrouw Kappeyne van de Coppello namens de VVD uitsprak. Wij vinden ontbinding van de Eerste Kamer, wat nauwkeuriger uitgedrukt: de gevolgen daarvan, niet zo constructief en bevredigend. De bedoeling zit immers voor, dat na ontbinding een nieuwgekozen Eerste Kamer de periode van de vorige uitdient. Dat kan nog wel eens neerkomen op een tijdvak van een jaar of zelfs minder. Dat is nog het minste, hoe onaantrekkelijk overigens. Immers, een nieuwgekozen Eerste Kamer zal er nauwelijks anders uitzien dan haar voorganger. Opgemerkt werd dat intussen in de provinciale staten zich soms kleine verschuivingen kunnen hebben gepresenteerd, afsplitsingen bij voorbeeld.

Moet zo'n evenement, dat nota bene op geen enkele kiezerslegitimatie kan bogen, zo hoognodig in de samenstelling van de nieuwgekozen Eerste Kamer neerslag vinden? Dit is bij uitstek een gelegenheidsargument, dat tot ware oplossing geen steek bijdraagt. Consequent ware het dan om verkiezingen te houden voor de provinciale staten, opdat metterdaad de gewenste raadpleging van de kiezers over het conflict kan plaatsvinden. Meer gezamenlijke produktie in wetgevende beraadslaging van Eerste en Tweede Kamer in verenigde vergadering stuit bij ons op weerstanden. Wat overigens de gemeenschappelijke behandeling eventueel van nota's aangaat, bestaat er bij de Tweede Kamer een sterke tendens om dat juist in openbare commissies te doen, waarvoor geen enkele grondwettelijke basis behoeft te bestaan, wanneer dit zou geschieden gezamenlijk met de Eerste Kamer. Wat de onwenselijkheid van kabinets wisseling betreft om de populaire technische term te gebruiken 'tijdens de rit' vragen wij ons af, of zonder meer de conclusie gewettigd is die gemaakt is en ook tijdens het debat nog weer, dat dit nooit meer hoeft te gebeuren. Het wil mij voorkomen dat de slechte ervaring niet zozeer berust op het blote feit dat een ander kabinet optrad, als wel dat voor een andere coalitie een formule werd gekozen. Dat juist deed de maat overlopen. Dat de Eerste Kamer geen wetten zou mogen verwerpen, bevreemdt ons. In deze Kamer dringt men er soms op aan dat leden naar hun geweten stemmen. Zou dat dan niet mogen voor leden van de Eerste Kamer, wanneer zij het in geweten niet verantwoord achten om aan een wetsontwerp hun stem te geven? De heer De Kwaadsteniet pleitte voor een beperkte terugzending, waar-van hij geen frequente toepassing voorzag. Juist omdat het geen ingewikkelde en tijdrovende procedure is, zou het vaker kunnen worden gebruikt dan hij voorziet. Het kan dan gebeuren dat een wetsontwerp hier toch weer in de brievenbus wordt geworpen, eventueel met suggesties voor amendering er gratis bijgeleverd. De senatoren bestuderen nu de wetsontwerpen met een globale bril en stemmen voor of tegen, maar ze zouden wel eens een leesbril kunnen aanschaffen, om te bekijken of er ook terugzendingsperspectieven in zitten. Europarlementariërs, hier geïntroduceerd door een grondwetsartikel.

vinden wij toch wat vreemde eenden in de bijt. ik zag mevrouw Kappeyne al wegsnellen naar diverse gemeenteraadsvergaderingen. Iets bescheidener zou het kunnen zijn als wij van onderen af aan leden van provinciale staten dezelfde faciliteiten zouden verlenen als aan Europarlementariërs. Ten aanzien van wetsontwerp 14224 wil ik slechts opmerken dat er heel wat verbeteringen zijn geoogst. Ik kom tot wetsontwerp 14225, over het geven van inlichtingen en het recht van onderzoek. Kennis is macht, zo luidt een bekend gezegde. Zonder nu door het aanbrengen van allerlei mogelijke nuanceringen deze stelling te ontkrachten, zouden wij de geldigheid van deze uitspraak ook op de politieke verhoudingen van toepassing willen verklaren, want daarin is het element nooit afwezig. Het is zelfs een essentieel bestanddeel. In ons dualistisch stelsel kan zich op kritieke ogenblikken de vraag aandienen wie in die bepaalde situatie de machtigste zal blijken te zijn. Om stellingen te kunnen verdedigen en bestrijden, is kennis van zaken en informatie nodig. Onze Grondwet gaat er wellicht begrijpelijk stilzwijgend van uit dat de Regering over informatie beschikt en die niet prijs wenst te geven. Voor zover wij weten, bestaat er geen bepaling die het parlement verplicht, de Regering bepaalde inlichtingen te verschaffen. Wij gaan er kennelijk van uit dat de Regering met de meest begerenswaardige kennis is bedeeld en dat zij daarom de machtigste is. Dit is toch de achtergrond van de informatieplicht van de Regering. De rechten van de oppositie worden -zie de stukken -wel de hoeksteen van de parlementaire democratie genoemd. Een ieder die onder democratie nog iets anders verstaat dan de heerschappij van de helft plus één, zal dit uitgangspunt onderschrijven. Minderheid zijn, mag niet hetzelfde betekenen als slachtoffer zijn. De centrale vraag bij dit wetsontwerp is in onze ogen tot wiens verantwoordelijkheid het gerekend moet worden dat de minderheid -meestal de oppositiepartijen -ook reële mogelijkheden hebben op het spel met gelijke kansen dat democratie heet. Tweërlei vertrekpunt -een wat omineus woord -is mogelijk. Men kan uitgaan van de Kamer, of de Regering. Wij menen die twee mogelijkheden in de stukken ook aan te treffen. De memorie van toelichting neemt op bladzijde 3 ook als vertrekpunt de verantwoordingsplicht van de Regering.

Tweede Kamer 13 december 1979

Grondwet

2050

Abma De memorie van antwoord zet op bladzijde 2 in bij de controlerende functie van het parlement. Naar wij menen zijn beide uitgangspunten legitiem in een dualistisch stelsel. Afhankelijk van het uitgangspunt dat men kiest, zou men van een inlichtingenrecht of van een inlichtingenplicht spreken. Wie het recht accentueert en ervan uitgaat, dat de Regering ertoe gedwongen zou moeten worden, de gewenste informatie te verstrekken, zal de meerderheid van de Kamer moeten mobiliseren en zal het primair moeten zoeken langs wegen als het Reglement van Orde en de agenda van de Kamer. Wie geneigd is, primairte wijzen op de plicht van de Regering zal, aannemend dat de Regering deze zienswijze deelt, de rechten van de minderheid vastgelegd willen zien in de Grondwet, opdat de minderheid niet telkenmale afhankelijk is van de steun van de meerderheid. Het inlichtingenrecht ligt op het terrein van veel ongeschreven staatsrecht, van vaste, langzamerhand gegroeide staatkundige praktijk met normatieve elementen. Het is minder een zaak van formeel recht. Wij menen te mogen zeggen dat het recht op inlichtingen in de Nederlandse staatkundige praktijk desondanks geenszins onbevredigend functioneert. Ondanks het summiere artikel in de huidige Grondwet heeft de staatkundige praktijk een ontwikkeling te zien gegeven die er uiteindelijk toe geleid heeft dat ook vragen van individuele leden der Kamer of van minderheden worden beantwoord. Het viel ons bij lezing van de stukken op dat over allerhande vragen en in-lichtingen wordt gesproken, zoals die in het kader van de behandeling van wetsontwerpen, begrotingen, nota's, individuele, mondelinge en schriftelijke vragen, interpellaties enz. Nergens, zo blijkt, komen de inlichtingen aan de orde die in het kader van de behandeling van een verzoekschrift door de commissie voor de verzoekschriften gevraagd plegen te worden aan de betrokken ministers. Moet voor het vragen van deze inlichtingen de grondwettelijke basis gezocht worden in het inlichtingenrecht of in het petitierecht? Daarstraks hebben wij de verschillende vertrekpunten gememoreerd die denkbaar zijn bij de benadering van het recht om inlichtingen te vragen. Wij herinnerden tevens aan het dualistisch staatsbestel dat wij hier te lande kennen. Voor alle duidelijkheid: met het begrip 'dualisme' bedoelen wij aan te geven, dat er sprake is van een onderscheiden verantwoordelijkheid, niet dat wij Regering en parlement als elkanders tegenstanders ofnog erger -vijanden willen zien. Men is in vele zaken op elkaar aangewezen, tot samenwerking gehouden. Dat geldt onzes inziens ook bij het tot stand brengen en het effectueren van het inlichtingenrecht. Een centrale vraag daarbij lijkt ons, of het uiteindelijk toch de meerderheid van de Kamer is die beslist, of het verstrekken van inlichtingen door de Regering geëist moet worden. Het voorgestelde grondwetsartikel geeft steun aan de ontwikkeling in de praktijk van de rechten van minderheden, maar het bevat geen bepaling waarin formeel een minderheidsrecht wordt toegekend. Het bezwaar -naast de voordelen -van zulk een recht is dat het voet zou geven aan een interpretatie, dat minderheden die beneden de in de Grondwet neergelegde grens blijven, geen aanspraak kunnen maken op inlichtingen van de Regering. Dat zouden wij uiteraard niet bedoelen. Wij menen dat het te recht is dat de Regering de aanvankelijk op bladzijde 5 van de memorie van antwoord ingenomen stelling, dat er een zo essentieel verschil is tussen individuele, mondelinge of schriftelijke vragen en vragen, gesteld in het kader van een door de Kamer aan de orde gesteld onderwerp, dat het individuele daarom niet direct in het grondwettelijk recht op in-lichtingen begrepen zou moeten worden, in de nota naar aanleiding van het eindverslag heeft verlaten. Anders zou, zoals reeds eerder door ons is betoogd, het individuele kamerlid te zeer zijn aangewezen op het Reglement van Orde en de kameragenda. De rechten van de individuele kamerleden alsook van de kamerminderheden moeten een waarborg in de Grondwet vinden. Is dat gebeurd, dan komt een volgende belangrijke zaak aan de orde, nl. dat zowel Kamer, kamerleden als de Regering enerzijds een gepast gebruik maken van het recht en anderzijds geen ongepast gebruik maken van het recht om inlichtingen te weigeren. Om met de Kamer te beginnen: deze zal niet opportunistisch -openlijk of bedekt -te werk mogen gaan als men voor de vraag wordt geplaatst of men zich al dan niet achter een verzoek om inlichtingen zou plaatsen. Kortom, de vraag is hoe wij een garantie kunnen scheppen dat van de binnen onze constitutionele praktijk gegroeide gewoonte niet dan om gewichtige redenen wordt afgeweken.

De Regering kan, zoals reeds uit de memorie van toelichting blijkt, aanvankelijk weigeren de gevraagde in-lichtingen te verschaffen om redenen van opportuniteit. Dit is niet in strijd met het ongeschreven staatsrecht. De Regering moet een beroep op een verschoningsgrond zorgvuldig overwegen en haar weigering op voor de Kamer toetsbare wijze presenteren. De Kamer kan dan het beroep op het belang van de staat al of niet aanvaarden. Op dit punt komt opnieuw een stuk eigen verantwoordelijkheid van de Regering aan de Kamers tot uitdrukking. Wij realiseren ons dat vrijwel nooit een beroep op de verschoningsgrond wordt gedaan. Desalniettemin zouden wij toch nog even bij dit punt willen stilstaan en enige vragen willen voorleggen. Het belang van de staat, wat is dat? Wij hebben begrepen dat het om meer dan alleen de veiligheid van de staat gaat. Wij hebben er ook begrip voor dat de Regering niet in staat is een in-ventarisatie te geven van omstandigheden, maar, de rekbaarheid en vaagheid van de aanduiding 'het belang van de staat' vraagt eenvoudig om concretisering. Er zijn nu eenmaal grote en kleine belangen. Om maar iets te noemen: als de Regering in de stukken noemt de eenheid van de Kroon, de betrekkingen van Nederland met andere landen, principiële en economische belangen. Wij kunnen daarin wel meegaan. Veel meer moeite hebben wij met de andere voorbeelden, zoals de bescherming van de persoonlijke levenssfeer en de gronden in artikel 4 van de Wet openbaarheid van bestuur. Wij kunnen ons uiteraard goed voorstellen dat deze belangen zich verzetten tegen het verstrekken van inlichtingen in het openbaar, maar vertrouwelijke informatie van de Kamer wordt door deze belangen toch niet belet. Willen de argumenten voor een beroep op de verschoningsgrond toetsbaar zijn voor de Kamer dan zou het wellicht wenselijk zijn dat de Regering verplicht wordt haar beroep concreet te motiveren. Zou dit niet op enigerlei wijze vastgelegd dienen te worden? Tot slot het recht van enquête; allereerst de benaming. De huidige Grondwet duidt het recht van enquête aan als recht van onderzoek. 'Onderzoek' is ruimer dan 'enquête'. Enquête is een bepaald type onderzoek. Ook al is tegenwoordig in het Burgerlijk Wetboek in het vennootschapsrecht sprake van een enquêterecht, wij zouden toch op prijs stellen op behoud van de bena-Tweede Kamer 13 december 1979

Grondwet

2051

Abma ming 'recht van enquête' van wat de Regering in dit wetsvoorstel 'recht van onderzoek' wil noemen. De benaming 'recht van enquête' is naar ons gevoel verbonden met het feit dat personen gedwongen kunnen worden tot medewerking. Het enquêterecht moet in onze opinie geen politiek strijdmiddel worden. Het is om die reden dat wij er geen voorstander van zijn om dit recht aan een minderheid in de Kamer toe te kennen. Ten slotte nog iets over wetsontwerp 14226, de begroting. Het budgetrecht is een van de oudste en nog steeds een van de belangrijkste bevoegdheden van de volksvertegenwoordiging. Eerder memoreerden wij het gezegde: kennis is macht. Thans zouden wij dit kunnen varië-ren door te zeggen dat ook geld macht betekent. Dat zulks zowel door de Regering als door parlement als door de kiezers beseft wordt, kan ons inziens blijken uit het enorme beslag dat allerlei vraagstukken van materiële en sociaaleconomische aard leggen op tijd en inspanningen van politici. De overheid wordt voor hoe langer hoe meer zaken medeverantwoordelijk, door uitkeringen, door subsidies, door salarissen enzovoort. Controle is geboden. De Rekenkamer behoort tot de oud-ste staatsinstellingen. Begrotingen plegen echter niet alleen een uitgavenmaar ook een inkomstenkant te hebben. Wat voor de overheid inkomsten zijn, zijn voor de burgers lasten. Regering en parlement schijnen altijd de neiging te hebben om meer te willen. Dat betekent dus meer uitgaven. In het bestaande Grondwetsartikel 133 wordt geëist dat in de wet de middelen tot dekking van de uitgaven worden aangewezen. De aanwijzing van de middelen hield vroeger de machtiging in tot het heffen van belastingen. Thans is die relatie tussen uitgaven en belastingheffing veel losser geworden en wordt algemeen aanvaard dat de grondslag voor belastingheffing niet in de begrotingsbepaling is gelegen, maar in op een andere grondwetsbepaling gebaseerde belastingwetten. Het wetsontwerp beoogt naar ons inzicht geen belangrijke inhoudelijke wijziging. Wel is er sprake van het creëren van ruimte voor nieuwere ideeën als meerjarenbegrotingen, meer departementenbegrotingen. Wat heet echter 'nieuw' in dit verband? Im-mers, het voorschrift van een jaarlijks in te dienen begroting gaat terug tot een voor 1922 bestaande situatie. Het heeft onze volle instemming dat ook de Eerste Kamer bij de vaststelling van de begrotingswetten betrokken blijft. Wij stemden destijds voor de motie-De Kwaadsteniet, die tot strekking had dat de Eerste Kamer haar thans toekomen-de taken en bevoegdheden zou moeten behouden. Begrotingswetten beogen de Regering te autoriseren tot uitvoering van de begroting. De behandeling daarvan geeft een goede gelegenheid voor gedachtenwisseling met de Regering over het voorgenomen beleid. De Eerste Kamer der Staten-Generaal is medewetgever. Ook al bevatten begrotingswetten geen strafbepalingen, ook al hebben zij geen directe gevolgen voor de burgers, zoals belastingwetten, zij liggen toch op het terrein van de medewetgeving. Zolang zelfs de Tweede Kamer er niet in slaagt alle begrotingswetten voor 1 januari van het jaar waarop zij betrekking hebben, te behandelen, zolang neigen wij ertoe om niet al te zwaar te tillen aan het feit dat begrotingswetten niet altijd voor 1 januari in het Staatsblad komen. De Eerste Kamer kent bovendien nog de praktijk van de zogenaamde formele afdoening. Met de formulering van het eerste lid van artikel 5.2.7. en met name met het woord 'vastgesteld' kunnen wij vrede hebben. Immers, niet de ontvangsten en uitgaven voor het komen-de begrotingsjaar worden vastgesteld, doch de vaststelling bij wet en de begroting van de ontvangsten en uitgaven is aan de orde. Ook de nieuwe redactie van de tweede volzin van het derde lid van artikel 5.2.7., bij nota van wijziging aangebracht, heeft onze in-stemming. Wij preferen het woord 'goedgekeurd' boven 'onderzocht'. Wij beseffen natuurlijk dat hier niet van goedkeuring sprake is, zoals dit in het staatsrecht en administratief recht gebruikelijk is. Gaarne zouden wij nog een nadere toelichting ontvangen op de briefwisseling tussen de Minister van Binnenlandse Zaken en de Algemene Rekenkamer, met name over het punt van de partiële verantwoording en de vorm waarin dit dient te geschieden. Op welke wijze van die mogelijkheid gebruik zal kunnen worden gemaakt, zal ingevolge het ontwerp-artikel, de wet moeten bepalen. Betekent zulks inderdaad dat een partiële verantwoording geen steun vindt in de huidige nieuwe Comptabiliteitswet en dat moet worden teruggevallen op artikel 104 van de Grondwet, behelsende de inlichtingsplicht van de Regering? Naar mijn mening heb ik nu de Regering voldoende ingelicht over ons standpunt.

De heer Verbrugh (GPV): Mijnheer de Voorzitter! De wetsvoorstellen betreffen het grote parlementaire kader waarbinnen zich in ons land het politieke gebeuren afspeelt. Dit zorgt voor de ordening van het belangrijkste politieke handelen van de burgers, voor een evenwichtig stelsel van begrensde bevoegdheden en voor ingebouwde garanties van controle en invloed op bestuur en wetgeving. Het is een stelsel dat mijn politieke vrienden en ik als een vrucht van nogal wat wijsheid zien. Die wijsheid wordt ook in het Spreukenboek geprezen. Ook als het GPV hier een fractie van 30 leden zou vormen -de Minister behoeft niet bang te zijn -dan zouden wij niet begeren, in dit onderdeel enigszins sub-stantiële veranderingen aan te brengen.

Minister Wiegel: Waarom zou ik daarvoor bang zijn? De heer Verbrugh (GPV): Ik zeg ook dat de Minister daarvoor niet bang behoeft te zijn. Je kunt je zo weleens afvragen wat er zou gebeuren wanneer een eenmansfractie een fractie van dertig man werd. Ik kan mij voorstellen dat dit in bepaalde gevallen in het verleden wel aanleiding zou hebben gegeven dat men dat liever niet wenste. Minister Wiegel: Het enige dat zou kunnen gebeuren is dat de fractievergaderingen die de geachte afgevaardigde nu met de leden van zijn fractie heeft, wellicht nog iets langer duren! De heer Verbrugh (GPV): Dat ben ik met de Minister eens. De parlementaire stelsels zijn mijns inziens in de Westerse wereld mogelijk geworden als gevolg van het rechtmatige terugdringen van de politieke machtvan de kerk, van de mijns in-ziens eveneens rechtmatige wens de bevoegdheden van regeringen te beperken en van het drijven van de ideologie van de volkssoevereiniteit. Ook in onze tijd zijn nog veel mensen in de ban van de ideeën van Rousseau cum suis. Het zijn deze voorstellingen die het criterium worden aan de hand waar-van het deugdelijk functioneren van bij voorbeeld het parlement wordt beoordeeld. Het is echter al meer dan een eeuw ervaringswijsheid, te kunnen voorspellen dat het resultaat op een teleurstelling zal uitlopen. Op 6 april schreef de zich parlementoloog noemende Rotterdamse politicoloog dr. Van Schendelen in NRC/Handelsblad dat de luider hoorbare kritiek op het parlementaire functioneren niet wordt veroorzaakt door Tweede Kamer 13 december 1979

Grondwet

2052

Verbrugh de afnemende invloed van het parlement -het tegendeel is volgens hem het geval en mijns inziens heeft hij gelijk" maar door de gestegen verwactv tingen. Democratie als hoogste uiting van de volkswil en als laatste norm van ons politieke handelen brengt mijns inziens de verwerpelijke tendens met zich, alle macht in één staatsorgaan te concentreren, als dat staatsorgaan maar in de naam van de heilige volkswil opereert. Veel tirannie in Azië en Afrika wekt bij ons in het Westen nog geen weerzin op, omdat de propaganda van de machthebbers zegt dat zij de volkswil uitvoeren. Meer waardering heb ik echter voor Thorbeckes Narede waarin terecht staat dat als het slechts zou gaan om de vraag naar wat het volk of de meerderheid wil, de vraag naar hetgeen recht, waar, goed en uitvoerbaar is zou vervallen. Wat de vormgeving van ons constitutionele stelsel betrof, pleitte hij -zoals de Minister maar al te goed weet -dan ook niet voor concentratie van politieke macht, maar voor spreiding, namelijk door een stelsel van elkaar wederkerig beperkende organen. Wij zijn het hier volstrekt met elkaar eens. Wij moeten in vrijheid met elkaar samenwerken. Vooreen goede nationale ontwikkeling blijft het daarom naar mijn mening noodzakelijk dat de geest van Rousseau zoveel mogelijk in de fles blijft. Ik zie nu de Minister niet meer knikken, maar naar mijn mening is er toch een belangrijk verschil tussen Rousseau en Thorbecke.

De heer Van der Sanden (CDA): Dat hangt ook van de kwaliteitvan de kurk af. De heer Verbrugh (GPV): De fles moet goed dicht zijn, hoor. Het is verleidelijk van hieruit in één zin een uitstapje te maken door te zeggen dat het nu gezegde niet alleen geldt voor de politieke instellingen. Het geldt ook voor het vrije veld van particuliere instellingen, waarin langs de lijnen van het rapport van de commissie-Van der Burg het overtrokken volkswilideaal eenvormig aan de gevarieerde maatschappelijke werkelijkheid dreigt te worden opgelegd. Ook een parlement kan een plaats zijn waar in naam van de indirecte volkssoevereiniteit de macht te veel wordt geconcentreerd. Een voorbeeld hiervan is het Britse Lagerhuis, waarin een ongezonde machtsconcentratie plaatsvindt, die mede wordt gevoed door het kiesstelsel dat op zijn beurt steeds in stand wordt gehouden door de geconcentreerde macht van de meerderheid van het Lagerhuis met haar gevolmachtigden, de Britse regering. Zoals ik al zei, kunnen wij ons goed vinden in de grote lijnen van het Ne-derlandseconstitutioneelparlementaire stelsel, dat na de behandeling van de nota over het te voeren grondwetsherzieningsbeleid gelukkig niet ingrijpend wordt gewijzigd. Veel van de bepalingen van voorstel 14222 kan ik zonder probleem aanvaarden. Ik denk hierbij aan de handhaving en de toekenning van rechten aan de Eerste Kamer en aan de veranderde wijze van verkiezing ervan. De handhaving van de aantallen Eer-ste-en Tweede-Kamerleden kan ik eveneens redelijk noemen, al zal ik mij na vergelijking met de aantallen kiezers in het buitenland die in andere kleine landen achter elk parlementslid staan, niet verzetten tegen een verhoging. Tegen een vergroting van het aantal kamerleden zou vooral de veel gehoorde klacht van te grote specialisatie en het te detaillistische karakter van het werk van de Kamer pleiten. Onze oud-collega Kleisterlee sprak bij zijn afscheid anderhalve maand geleden zelfs over een superspecialisme waardoor het overzicht over het totaal van de werkzaamheden zal verdwijnen en er in het parlementaire werk hier en daar zelfs ontmenselijkende trekken binnendringen. Ik heb mij afgevraagd of dit een kwestie is die samenhangt met het grote aantal leden van de Kamer, in het bijzonder van de grootste fracties. Wellicht is iets anders de oorzaak van het detaillisme. Is het niet mogelijk dat speciaal een Kamer die zich niet beperkt tot haar controlerende en wetgevende taak, maar continu wil meeregeren, tot zo'n specialisme wordt gevoerd? Graag hoor ik hierover de mening van de Minister, als een van onze vaste tegenspelers, zeker nu hij op parlementaire ervaring kan bogen. Bij enkele uitspraken en bepalingen zet ik kanttekeningen. In de wetsbepalingen wordt terecht niet voorgeschreven dat een tussentijdse kabinetswisseling slechts na tussentijdse verkiezingen mogelijk is. Volgens de Regering is echter in ons bestel het achterwege blijven van verkiezingen bij tussentijdse kabinetswisseling nauwelijks aanvaardbaar.

Mevrouw Kappeyne van de Coppello (VVD): Niet of nauwelijks! De heer Verbrugh (GPV): Het is dus nog sterker dan ik het zei. Waarom willen de bewindslieden en mevrouw Kappeyne zo'n harde regel? Wat verstaan zij overigens in dit verband onder kabinetswisseling? Nog niet zo lang geleden nodigde de heer Van Agt de PvdA minzaam uit, steun te verlenen aan het kabinetsbeleid, waarbij hij zinspeelde op samenwerking met de huidige coalitiepartners op kabinetsniveau. Dit gebeurde nog voordat wij over de modernisering van kernwapens spraken. Stel dat het werkelijk was gebeurd. Zouden voor zo'n tussentijdse herformatie van het kabinet tot een zogenaamd nationaal kabinet verkiezingen nodig zijn geweest? Een nadeel van deze vrij nieuwe en -nog niet vast aanvaarde regel is dat een kabinet onnodig lang kan blijven doorgaan, omdat bij voorbeeld een deel van de coalitie bang is voor verkiezingen. Wat dit betreft lijkt mij dat de situatie in Noorwegen doorslaat naar de andere kant. Daar heeft men bepaald dat voor de Storting slechts eenmaal in de vier jaar verkiezingen worden gehouden. Ook dan loopt het vast. Toen de Noorse meerderheidsregering door het EG-referendum in 1972 was verslagen, konden er geen verkiezingen worden gehouden en moest een minderheidsregering worden gevormd. Deze moest enkele jaren aanblijven, totdat men weer kon kiezen. Ik ben er daarom voor, na tussentijdse ontslagaanvrage van een kabinet onbevangen naar het gelang van de omstandigheden te beslissen of er wel of niet tussentijdse verkiezingen moeten plaatsvinden. Dit lijkt mij te voren niet te voorspellen. Ik zou het waarderen, als de situatie weer werd zoals die van vóór de val van het kabinet-Biesheuvel. Toen is het namelijk hiermee begonnen. Mevrouw Kappeyne van de Coppello (VVD): Neen. De heer Verbrugh (G PV): Het was, meen ik, naar aanleiding van de overgang van het kabinet-Marijnen naar het kabinet-Cals. Mevrouw Kappeyne van de Coppello (VVD): Naar aanleiding van de overgang die toen niet met een kamerverkiezing gepaard ging. Dit is ongeveer 14 jaar geleden. De heer Verbrugh (GPV): Ja, maar het heeft voor het eerst gewerkt bij de val van het kabinet-Biesheuvel. Toen was het voor het eerst, dat men die verkiezingen ging houden, op het meest ongelukkige tijdstip dat men zich kan voorstellen, namelijk in november, midden in de begrotingsbehandeling. Dat moeten wij nooit meer doen!

Tweede Kamer 13 december 1979

Grondwet

2053

Verbrugh Mevrouw Kappeyne van de Coppello (VVD): Ik zou u erop willen wijzen, dat er ook een kamerontbinding is geweest die in 1966 werd ingezet en die in 1967 door verkiezingen werd doorgevoerd: de nacht van Schmelzer!

De heerVerbrugh (GPV): Ja, maar toen zat er een interimkabinet tussen. Dat was een andere situatie. Mevrouw Kappeyne van de Coppello (VVD): Ja, maar dat interimkabinet werd toen ingesteld om de ontbinding -en dus de kamerverkiezingvoor te bereiden.

De heerVerbrugh (GPV): Ja, maar toen...

Mevrouw Kappeyne van de Coppello (VVD): Het zou te gek zijn geweest als er in één periode vier kabinetten waren geweest.

De heerVerbrugh (GPV): Het derde kabinet in die periode was geen reële zaak. De heer Van Thijn (PvdA): Mijnheer de Voorzitter! De heer Verbrugh heeft met name bezwaar tegen het jaargetij-de waarin het gebeurde. Ik herinner mij nog, dat ik klappertandend mijn entree in dezeKamer maakte.

De heerVerbrugh (GPV): Als het kabinet valt, moet het in de goede maand gebeuren en bij voorbeeld niet in juli. Minister Wiegel: U werd lid van de Kamer op 23 februari 1967, ik op 18 april 1967. De heerVerbrugh (GPV): Mijnheer de Voorzitter! Ik blijf het betreuren, dat de tekst van de eed en de belofte uit de Grondwet verdwijnt. Juist in ons belangrijkste staatsstuk, waarin onder andere de rechten en bevoegdheden van het parlement zijn vastgelegd, is de formulering van de eed of belofte waarmee een volksvertegenwoordiger zijn of haar werk begint een goede zaak. De Grondwet is nu eenmaal een document waarmee nog betrekkelijk veel burgers enigszins vertrouwd kunnen geraken. Dit stuk wordt nog veel gelezen. Verdwijnt hieruit de tekst van de eed c.q. de belofte, dan verdwijnt dit -voor het politieke leven niet onbelangrijke -element tevens uit de ogen van een groot deel van onze bevolking. Is het verlangen naar een gestroomlijnde Grondwet hier niet te ver doorgevoerd? Mijnheer de Voorzitter! Een kritische vraag wil ik ook stellen over het gemak, waarmee de Regering in de memorie van antwoord de stelling onderschrijft die in het voorlopig verslag door de fractie van de VVD is geponeerd, namelijk dat in ons land voor de verkiezingen geen personenstelsel maareen lijstenstelsel geldt. Moet hierbij niet genuanceerder worden gesproken? Ons stelsel biedt de mogelijkheid, iemand met behulp van voorkeursstemmen -ongeacht zijn plaats op de kandidatenlijst -te kiezen. Ik meen dan ook, dat wij in ons land beter kunnen spreken van een gemengd stelsel. Ook professor Oud kwalificeert in 'Het constitutioneel recht van het Koninkrijk der Nederlanden' ons kiesstelsel als een tussenweg, bij een gebonden lijstenstelsel. Een zuiver gebonden lijstenstelsel laat alleen de mogelijkheid van een stem voor de lijst, zonder de mogelijkheid van een voorkeursstem. In Denemarken kan men kiezen tussen een stem voor de lijst en een stem voor één van de kandidaten van de lijst. Er is daar maar één mogelijkheid. Bij ons kunnen alleen maar stemmen op personen worden uitgebracht. Het systeem van voorkeursstemmen is bij ons tamelijk geprononceerd. Mijnheer de Voorzitter! Ook in dit debat probeert de linkerzijde weer de invloed van de Eerste Kamer te verkleinen. In het eindverslag wordt door de grootste oppositiefractie aangevoerd, dat de Eerste Kamer zich zelfs heeft verstout, het wetsvoorstel-Lambers c.s. inzake de abortus te verwerpen en ook, dat zij het waagde zoveel weerstanden tegen de sanctiewet te tonen. Het is jammer, dat de bewindslieden slechts mager op dit argument hebben gereageerd. Zij hebben zich beperkt tot de opmerking, dat zij geen oordeel willen geven over de opstelling van de Eerste Kamer ter zake. Dat hoefde ook niet. De Regering had wel erop kunnen wijzen dat het hier ging om twee wetsontwerpen die op verschillende manier de grondslagen van ons rechtsbestel raakten. Juist in zulke gevallen moet men verwachten dat een zelfstandige opstelling van de Eerste Kamer wel eens tot een andere uitslag kan leiden dan in de Twee-de Kamer, juist als het om dergelijke grondslagen gaat, gezien het feit dat de Eerste-Kamerleden nu eenmaal geen fulltime professionele politici zijn en dat zij een belangrijk deel van hun beroepsarbeid niet aan het Binnenhof verrichten.

De heer Van Thijn (PvdA): Het zal de heer Verbrugh waarschijnlijk verbazen dat ik het met hem eens ben. Gezien de bevoegdheden waarover de Eerste Kamer beschikt, is het niet meer dan normaal dat zulke gebeurtenissen zich aftekenen. Ik voeg daaraan toe dat men dan niet tegelijkertijd de stelling kan verkondigen, hetgeen zowel door de Minister als door de meerderheid van deze Kamer gebeurt, dat er een lange traditie is van terughoudendheid van de Eerste Kamer en dat zo'n terughoudendheid ook in de komende jaren verzekerd zal zijn. Dat is het punt. Daarom vind ik, die ook de terughoudendheid van de Eerste Kamer bepleit, dat wij de bevoegdheden van de Eerste Kamer daarmee in overeensterrv ming moeten brengen.

De heer Verbrugh (GPV): Ik dank de heer Van Thijn voor zijn matige woorden, die hij sprak ten aanzien van de Eerste Kamer. Hij bepleit dus terughoudendheid. Ik krijg wel eens de in-druk dat inderdaad het grote fictieve ideaal van de linkerzijde zou zijn het één-kamerstelsel welk ideaal men toch op de een of andere manier wel wil benaderen. In dit verband zou ik willen vragen -hoewel ik zelf ben voor een tweekamerstelsel -of de Minister niet meent dat er een mogelijkheid is waarbij de Eerste Kamer werkelijk ernstig gevaar zou lopen. Het zal de heer Van Thijn misschien interesseren of hij kent het geval misschien al. Zal dat niet ontstaan als een flink deel van de Tweede Kamer met een rechtse meerderheid zich ergert aan de Eerste Kamer, wanneer deze een flinke linkse meerderheid heeft die alles tegenhoudt wat rechts in dit huis wil klaarmaken? Ik merk dat de heer Van Thijn inderdaad gelooft dat dit een mogelijkheid is. Een andere vraag over de Eerste Kamer betreft de suggestie van senator Zoutendijk, die hier nog niet besproken is. Ik vond het een interessante suggestie. Zij stond in Liberaal Reveil van maart. De heer Zoutendijk vroeg naar een bescheiden uitbreiding van de bevoegdheden van de Eerste Kamer. Volgens hem zou er meer en meer sprake zijn van slordige wetgeving. De Eerste Kamer kan daar eigenlijk alleen wat aan doen door het verkapte recht van amendement via de novelle. De heer Zoutendijk stelt daarom voor de Eerste Kamer het recht te geven een haar toegezonden wetsontwerp opnieuw voor advies aan de Raad van State te doen voorleggen. Na ontvangst van het advies kan eventueel worden besloten het wetsontwerp opnieuw naar de Tweede Kamer te zenden voor hernieuwde overweging. Ziet de Minister aan dit voorstel aantrekkelijke kanten? Het kan helpen voorkomen dat de Eerste Kamer het zware middel van verwerping van een Tweede Kamer 13 december 1979

Grondwet

2054

Verbrugh wetsontwerp hanteert in gevallen waarin dat niet gewenst is. Ik hoor graag wat de Minister van de suggestie van de heer Zoutendijk denkt. Naar aanleiding van het voorstel in 14223 zeggen de indieners dat de in-troductie van ons kiesstelsel met betrekkelijk veel districten grondwettelijk niet mogelijk is. Ik wees al op het voorbeeld van Groot-Brittannië waar mijns inziens te veel politieke macht in één hand is geconcentreerd en waar men juist veel te weinig oog heeft voor het representatiekarakter van het parlement. Zou er geen verband bestaan tussen de achtergestelde positie van de Rooms-Katholieke Noordieren en het districtenstelsel dat daar lange tijd heeft gegolden? Nederland is nog meer dan Ierland een land met minderheden die een grote schakering aan politieke denkbeelden bezitten. Wil men alle burgers gelijke rechten geven, dan leidt dit tot een conceptie van een volksvertegenwoordiging die zo goed mogelijk een afspiegeling is van ons volk, hetgeen wijst op evenredige vertegenwoordiging. Dat stelsel levert meteen een goede garantie voor het dualisme, dat ons bestel kenmerkt, waardoor wij een evenredige verdeling van de macht krijgen. Mijn fracti* blijft van mening dat de eis van ingezetenschap moet worden gesteld aan het verlenen van actief kiesrecht voor de Tweede Kamer. Na wat hierover gezegd is in de schriftelijke gedachtenwisseling wil ik de Minister vragen of hij niet van mening is dat degene die het kiesrecht uitoefent ook de gelegenheid moet hebben toch enigszins geëngageerd te kunnen zijn met de politieke sfeer, de propaganda en de wisselwerking in het land, waar de gekozen kandidaten zullen functioneren. Dat haal je echt niet uit de buitenlandeditie van de NRC. De verder gaande uitholling van deze eis in de nota van wijziging leek mij dan ook een verslechtering van de bepalingen op dat punt. In tegenstelling tot de huidige bepalingen stelt de Regering ons voor om geen termijn te stellen voor de verenigbaarheid van het ambt van minister of staatssecretaris met het kamerlidmaatschap. Een nadeel daarvan is dat de stimulans voor de voortgang van een kabinetsformatie, die uitgaat van een aflopende termijn waarin bei-de ambten zouden kunnen samenvallen, verloren zou gaan. Ik hoor al gepruttel. Ik zal de bewindslieden en de heer De Kwaadsteniet niet tegenspreken als zij weinig reële waarde hechten aan dit argument. Ik zou echter wel even de aandacht willen vragen voor een wat onderbelicht aspect van deze zaak. Na de laatste langdurige kabinetsformatie hebben wij het verschijnsel gezien dat een vrij grote groep kamerleden slechts enkele weken lid was van deze Kamer, waarna zij hun plaats weer moesten inruimen voor oud-kabinetsleden. Nu is het erg onbevredigend als iemand een maatschappelijke functie voor een zo kortstondig parlementair bestaan moet opzeggen. Dan staat er wel tegenover dat het parlementslid daarna voor twee jaar een uitkering krijgt. Dat is echter ook onbevredigend, omdat de periode gedurende welke men uitkeringsgerechtigd is in geen verhouding staat tot de periode waarin men lid van de Kamer was. Ik kan mij daarom vinden in het weglaten van de grondwettelijke eis dat een minister niet langer dan drie maanden lid van de Tweede Kamer kan zijn. Ik vraag mij wel af of, als deze bepaling nu wegvalt, ook de periode van uitkeringsgerechtigheid van een zeer kort gefunctioneerd hebbend kamerlid niet behoort te worden ingekort. Ik hoor graag het oordeel van de Minister. Hij zal er wel wat van weten, hoewel het geen grondwetszaak is. Tot slot wil ik nog een enkele opmerking maken over wetsontwerp 14224. Met genoegen nam ik kennis van de nota van wijzigingen, waarbij in artikel 3.2.3 wordt voorgeschreven dat ook in de toekomst voor het beraadslagen meer dan de helft van het aantal leden aanwezig moet zijn. De openbaarheid van het kamerwerk wordt nog altijd groter en daarmee ook de zichtbaarheid van het functioneren. Het beeld van de vrijwel lege vergaderzaal zal wel altijd mogelijk blijken. Dan is het echter prettig de bezoekers op de grondwettelijke voorschriften te kunnen wijzen. Na enige aarzeling hebben wij ons ook kunnen verenigen met de gedeeltelijke deconstitutionalisering van de datum van heropening van de Staten-Generaal. Gisteren wees de heer Patijn op de mogelijkheid van 31 augustus, als vaste openingsdatum. Het getuigt van een zekere monarchale gezindheid van de geachte afgevaardigde. Uiteraard waardeer ik dat. In de praktijk zal het dan wel de laatste dinsdag in augustus moeten worden, want op zondag kun je geen Prinsjesdag vieren. Aantrekkelijk zou het zijn als die dag zou samenvallen met de beëindiging van het kamerreces. Desnoods zou dat dan wat later kunnen ingaan. Ik begrijp echter dat dit laatste met de Grondwet niets te maken heeft. Dit was slechts een cri de coeur. De laatste tijd is wel voorgesteld om het voorlezen van de Troonrede op Prinsjesdag aan de Minister-President over te laten. Als men van mening is dat de liefde voor de monarchie wel zal uitslijten als het functioneren van de monarch maar niet gezien wordt, dan is dat misschien wel een zinnig voorstel. Zolang wij echter nog een levende monarchie hebben moet dit idee, mijns inziens, worden afgewezen. Ook het praktische argument, dat men wel hoort, als zou het voorlezen van de Troonrede door de Koning de burgers in verwarring brengen, omdat deze zouden kunnen denken dat het om een door de Koning persoonlijk opgesteld stuk zou gaan, acht ik weinig overtuigend. De meeste mensen weten best hoe de vork in de steel zit. Als men in 1977 een demissionaire Minister-President een regeringsverklaring had laten voorlezen -dan kun je niet meer van een Troonrede spreken -waarin een uiteenzetting werd gegeven van het ontbreken van kabinetsbeleid, dan zou dat voor sommige mensen ook zeer verwarrend hebben gewerkt. Maar je moet de staatsgebruiken niet afstemmen op wat enkele onwetende burgers niet begrijpen; je moet die afstemmen op wat zinnig is en wat aan de burgers gemakkelijk kan worden uitgelegd. Ik stem in met degenen, die op Prinsjesdag duidelijker tot uitdrukking willen zien gebracht dat de Koning woordvoerder is van de Regering. De opstelling in de Ridderzaal wekt de in-druk, dat de Koningin zich richt primair tot de Ministers en verder tot de Staten-Generaal. Meent de Regering niet, dat het de duidelijkheid in de staatsrechtelijke verhoudingen zou verhogen als er op Prinsjesdag een opstelling zou zijn, waarbij de Koningin omringd door haar Ministers de Staten-Generaal zou toespreken? Ik hoor graag een reactie op deze suggestie.

De Voorzitter: Ik wil nu de beraadslaging schorsen, omdat het elf uur is geweest. Mevrouw Wessel-Tuinstra (D'66): Ik zou graag het ordevoorstel indienen, dat ook de laatste spreker in dit debat nog aan het woord zou komen zodat bij uitzondering het tijdstip van elf uur wordt overschreden.

De Voorzitter: Het is mogelijk, zo'n voorstel in te dienen, maar ik ben niet geneigd, dat voorstel over te nemen. U weet wat dit betekent.

Tweede Kamer 13 december 1979

Grondwet

2055

Voorzitter Mevrouw Wessel-Tuinstra (D'66): Ik geef het op. De Voorzitter: De tekst, die door de fractie van D'66 is voorbereid, kan natuurlijk aan de Regering ter hand worden gesteld. Die tekst kan dan dinsdag a.s. na de stemmingen worden uitgesproken. Als onmiddellijk daarna de Regering aan het woord komt, kan ook met die tekst al rekening zijn gehouden.

De algemene beraadslaging wordt geschorst. De Voorzitter: Ik stel voor, het verslag van de vorige vergadering goed te keuren. Daartoe wordt besloten. Sluiting 23.03 uur. Lijst van ingekomen stukken met de door de Voorzitter ter zake gedane voorstellen 1°. drie Koninklijke boodschappen, ten geleide van de volgende wetsontwerpen: Naturalisatie van Appono, Margaretha en 21 anderen (15954); Naturalisatie van Andrade, Gilberto Joao en 28anderen (15955); Naturalisatie van Belghazi, Hassan en 25 anderen (15956). Deze Koninklijke boodschappen met de erbij behorende stukken, zijn al gedrukt en rondgedeeld; 2°. een brief van de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken, ten geleide van zijn circulaire aan de gemeentebesturen, over de uitkering gewoon lager onderwijs 1979. De Voorzitter stelt voor, deze brief niet te doen drukken en hem voor kennisgeving aan te nemen; de bijgevoegde stukken liggen op de griffie ter inzage; 3°. een brief van de bewindslieden van Financiën, over het rapport lnflatieneutrale Belastingheffing (14932, nr. 4). Deze brief is al gedrukt en rondgedeeld; 4°. een brief van de Voorzitter van de West-Europese Unie, ten geleide van de tijdens het tweede deel van de 25e gewone zitting aangenomen aanbevelingen. Deze brief ligt op de griffie ter inzage;

5°. de volgende adressen: een, van mevrouw C. A. M. Lampeden Braberte Haarlem, met betrekking tot afkoop pensioen;

een, van J. Jansen of Lorkeers te Haarlem, met betrekking tot een naamswijziging. Deze adressen zijn gesteld in handen van de Commissie voor de Verzoekschriften;

6°. de volgende brieven e.a.: een, van de Rotterdamse Werklozen Belangen Vereniging, over de sociale minima; een, van gedeputeerde staten van Noord-Brabant, over de herstructurering ijzergieterijen; een aantal, over de voorgenomen korting op de sociale uitkeringen; een aantal, over de modernisering van kernwapens; een, van A. A. H. Klees, met het eindrapport inzake de vermeende neushoornjacht in Zambia; een, van het Nederlands Comité 'Iran', met het decemberbulletin; een, van de algemeen secretaris van de Algemene Verladers-en Eigen Vervoer Organisatie, over het goederenvervoer in het verkeersbeleid; een, van het bestuur van het Produktschap voor Vis en Visprodukten, met het jaarverslag 1978; Deze brieven liggen op de griffie ter in-zage; voor zoveel nodig is kopie gezonden aan de betrokken commissies; 7°. een afschrift van een brief van de Emancipatiekommissie, gericht tot de Staatssecretaris van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk, over verlenging van het lidmaatschap van de Nationale Adviescommissie Emancipatie.

Dit afschrift ligt op de griffie ter inzage.

Tweede Kamer 13 december 1979

Grondwet Ingekomen stukken

 
 

2.

Meer informatie