15046 - Verklaring dat er grond bestaat een voorstel in overweging te nemen tot verandering in de Grondwet van de bepaling inzake de regeling van delen van het recht in algemene wetboeken en tot opneming van een bepaling inzake algemene regels van bestuursrecht

Dit wetsvoorstel werd op 30 mei 1978 ingediend door de minister van Binnenlandse Zaken, Wiegel, en de staatssecretaris van Justitie, Haars.

 
 

Inhoudsopgave van deze pagina:

1.

Stand van zaken

Het wetsvoorstel is verheven tot wet en gepubliceerd in het Staatsblad op 17 december 1980.

De tweede lezing van dit voorstel vond plaats door middel van wetsvoorstel Verandering in de Grondwet van de bepalingen inzake de regeling van delen van het recht in algemene wetboeken en tot opneming van een bepaling inzake algemene regels van bestuursrecht.

2.

Kerngegevens

Ingediend
30 mei 1978

Volledige titel
Verklaring dat er grond bestaat een voorstel in overweging te nemen tot verandering in de Grondwet van de bepaling inzake de regeling van delen van het recht in algemene wetboeken en tot opneming van een bepaling inzake algemene regels van bestuursrecht

Ondertekening memorie van toelichting

De minister van Binnenlandse Zaken, H. (Hans) Wiegel
De staatssecretaris van Justitie, E.A. (Bert) Haars
 

3.

Uit de memorie van toelichting

In haar Eindrapport stelde de Staatscommissie van advies inzake de Grondwet en de Kieswet voor, de bepaling die het huidige artikel 164 van de Grondwet -het codificatie-artikel -zou gaan vervangen, te plaatsen in het hoofdstuk Rechtsbedeling'. De staatscommissie deed dit voorstel wegens het nauwe verband tussen deze bepaling en de rechtspleging. Wij zijn wat de plaats van de bepaling betreft, een andere opvatting toegedaan. Wij zien het verband van deze bepaling met de rechtspleging niet als zo nauw, dat plaatsing in het hoofdstuk dat de rechtspraak regelt, vanzelfsprekend is. De bepaling slaat opeen ruimer terrein dan de rechtspraak. Vooral het tweede lid van het voorgestelde artikel, waarover nader hieronder, heeft niet zozeer betrekking op rechtspraak, als wel op beslissingspro cessen in het bestuursrecht. Daarom zijn wij van oordeel dat het voorgestelde artikel meer thuishoort bij de overige bepalingen inzake wetgevig en bestuur. Het onderhavige wetsontwerp strekt er dan ook toe het nieuwe codificatie-artikel te doen opnemen in hoofdstuk 5 van de nieuwe Grondwet, dat de bepalingen over Wetgeving en bestuur bevat.

  • Het eerste lid van het voorgestelde artikel

Opneming in de Grondwet van een grondwettelijke opdracht aan de wetgever het burgerlijk recht, het strafrecht en het procesrecht bij de wet te regelen achten wij nog steeds zinvol. Schrapping van artikel 164 van de Grondwet zou immers de ongewenste consequentie kunnen hebben, dat lagere openbare lichamen -waarbij in het bijzonder gedacht moet worden aan gemeenten -zich bevoegd zouden achten tot het autonoom vaststellen van regels van burgerlijk recht, voor zover zij daarbij niet in strijd handelen met het Burgerlijk Wetboek en het Wetboek van Koophandel. Een dergelijke ontwikkeling moet strijdig worden geacht met de historie van de codificatiegedachte en het daaraan inherente beginsel dat het burgerlijk recht bij wet in formele zin dient te worden geregeld. In 1814 wenste men geen terugkeer naarde toestand van vóór 1795 toen er een grote verscheidenheid van burgerlijk recht bestond in verschillende delen van het land. Daarom schreef men voor dat de nationale wetgever bij uitsluiting bevoegd zou zijn tot regeling van het burgerlijk recht. Dit strookte trouwens ook geheel met de omstandigheid dat Nederland een eenheidsstaat was geworden en voortaan uit ' Eindrapport p. 240.

nog slechts één rechtsgebied bestond.

Tweede Kamer, zitting 1977-1978, 15046, nrs. 1 -5

De codificatiebepaling beoogt dus een waarborg voor de rechtseenheid te geven. Met die gedachte is onverenigbaar een autonome bevoegdheid van de lagere openbare lichamen tot vaststelling van regels van burgerlijk recht. De regeling van het burgerlijk recht ligt in de huidige situatie niet in de belangensfeer van de lagere openbare lichamen. Slechts daar waar de nationale wetgever zelf enige ruimte laat is er plaats voor werkzaamheid van de lagere openbare lichamen op dit terrein, zoals bijvoorbeeld in het geval van de «bijzondere verordeningen» waar het burenrecht en de regels inzake erfdienstbaameden in het Burgerlijk Wetboek naar verwijzen (artt. 690,703,733 B.W.) Het voorafgaande geldt mutatis mutandis evenzeer voor het strafrecht en het burgerlijk en strafprocesrecht. De term strafrecht behoeft in deze context echter enige verduidelijking. Met het strafrecht, genoemd in het codificatie-artikel, wordt bedoeld het strafrecht zoals dat bij de (nationale) wet is vastgesteld en overal in het land gelijkelijk verbindende kracht bezit. Daarnaast bestaan er echter talloze gemeentelijke en provinciale strafbepalingen. De bevoegdheid tot het maken van deze strafbepalingen, die wat de strafmaat betreft isomgrensd in de artikelen 87 van de Provinciewet en 195 van de gemeentewet, is een uitvloeisel van de omstandigheid dat de gemeenten en provincies in onze gedecentraliseerde eenheidsstaat verordenende bevoegdheid bezitten. Deze verordenende bevoegdheid brengt mee dat tegen overtreding van de op basis van deze bevoegdheid vastgestelde verordeningen straf kan worden bedreigd. De erkenning dat iedere gemeente en iedere provincie (straf)verordenen-de bevoegdheid bezit impliceert dat het lokale en provinciale strafrecht in beginsel per gemeente en per provincie kan verschillen. Naar zijn aard is het niet vatbaar voor neerlegging in één overal gelijkelijk geldende wet of wetboek. Het in het codificatie-artikel vervatte voorschrift strekt zich dan ook niet tot het hierbedoelde provinciale en gemeentelijke strafrecht uit. Volledigheidshalve wijzen wij erop, dat de bevoegdheid tot het maken van strafbepalingen ook kan toekomen aan vele waterschappen en aan andere openbare lichamen. Tenslotte merken wij nog op, dat voor al dit strafrecht het voorschrift geldt van artikel 91 van het Wetboek van Strafrecht ingevolge welk artikel de bepalingen der titels l-VIIIA van het Eerste Boek van dat wetboek ook toepasselijk zijn op feiten waarop bij andere wetten of verordeningen straf is gesteld, tenzij de wet anders bepaalt. Ook voor dit speciale strafrecht gelden dus, behoudens uitzonderingen, de algemene regels die in het wetboek zijn neergelegd. Anders dan de staatscommissie 2) zijn wij van mening dat het voorschrift, dat de regeling moet geschieden bij de wet «in algemene wetboeken», gehandhaafd dient te blijven. Het streven naar codificatie in de 19e eeuw was erop gericht eenheid van recht en rechtsbedeling te bewerkstelligen. Daartoe was het noodzakelijk de talloze, verspreide en vaak niet op elkaar afgestemde rechtsregels die op een bepaald terrein golden, bijeen te brengen en tot een innerlijk consistent geheel om te smeden. De wetboeken die het resultaat waren van deze arbeid vormden een belangrijke waarborg voor de rechtseenheid en de rechtszekerheid en waren als zodanig tevens van onschatbare waarde voor de rechtspraktijk. Wij menen dat de waarborg, gelegen in het vereiste van algemene wetboeken van een zo groot belang is, dat handhaving van het grondwettelijk codificatievoorschrift inzake het burgerlijk recht, het strafrecht en het procesrecht onzes inziens geboden is. Het behoud van de bestaande samenhang tussen de rechtsregels op elk van deze terreinen -en daarmee de rechtseenheid en de rechtszekerheid -achten wij hierdoor gediend. Bovendien komt het ons voor dat schrapping van de woorden «in algemene wetboeken» moeilijk te rijmen valt met de stand van zaken op dit ogenblik. Noch vanuit de theorie, noch vanuit de praktijk wordt ten aanzien van de hierbedoelde rechtsgebieden bepleit de idee van algemene wetboeken te verlaten. Dat deze gedachte voor het huidige onverkort haar waarde juist 2 idem p. 257-258.

blijft behouden, bewijst de hercodificatie van het Burgerlijk Wetboek.

Tweede Kamer, zitting 1977-1978,15046, nrs. 1 -5

Intussen zijn wij er ons zeer wel van bewust dat het niet doenlijk is, alle onderdelen van het burgerlijk recht, het strafrechten het procesrecht in algemene wetboeken te regelen. Met het oog daarop stellen wij voor, de in het huidige artikel 164 opgenomen mogelijkheid tot regeling van enkele onderwerpen in afzonderlijke wetten, te handhaven, zij het in een enigszins gewijzigde redactie. Anders dan de Staatscommissie-Cals/Donner menen wij dat deze clausule de wetgever niet de vrijheid geeft naar bevind van zaken te handelen, waardoor aan artikel 164 de zin grotendeels zou komen teontvallen. Naar onze opvatting geeft de clausule een duidelijke vingerwijzing aan de wetgever dat het codificatiesysteem niet wezenlijk dient te worden doorbroken. Uit de praktijk, zoals die is gegroeid sinds de invoering van de alge mene wetboeken, blijkt bovendien dat de wetgever slechts in een beperkt aantal gevallen van de uitzonderingsclausule gebruik heeft gemaakt. Onder «enkele onderwerpen» als bedoeld in artikel 164 moeten worden verstaan rechtsonderdelen van enige omvang welke in hun geheel worden vastgesteld in een afzonderlijke wet in formele zin. Onder «enkele onderwerpen» worden niet begrepen geacht de bepalingen van burgerlijk recht, strafrecht en procesrecht die verspreid voorkomen in bijzondere, merendeels administratieve wetten en die naar hun aard in die bijzondere wetten thuishoren. Het is echter niet uitgesloten dat zich gevallen voordoen, waarbij het niet steeds aanstonds duidelijk is tot welke van de twee hier onderscheiden categorieën een regeling behoort. Een vaste grenslijn laat zich niet eenvoudig trekken. Voorts benadrukt het woord «enkele» naar onze mening wel zeer sterk het aspect van getalsmatige beperking. Op grond hiervan geven wij er de voorkeur aan het woord «enkele» te vervangen door «bepaalde» en zodoende de uitzonderingsclausule enigermate te verruimen. Meer dan thans het geval is zullen daardoor regelingen van burgerlijk recht, strafrecht en procesrecht buiten wetboeken onder de uitzonderingsclausule begrepen kunnen worden geacht. De voorgestelde verruiming is slechts een beperkte. Wij zijn van oordeel dat ook de nieuwe redactie het uitzonderlijke karakter van regeling buiten wetboeken op de voorgrond stelt. Hierin blijft een voldoende duidelijke aanwijzing aan de wetgever gelegen, dat hij steeds een groot gewicht zal hebben te hechten aan de samenhang binnen het codificatiesysteem.

(...)

4.

Nota's van wijziging en amendementen

Bij dit wetsvoorstel werd een amendement ingediend.

5.

Moties

Bij dit dossier werd in de Tweede Kamer een motie ingediend.

6.

Documenten

(21 stuks, sortering omgekeerd chronologisch)   sortering omkeren

1 16 december 1980, stemming(en), 14226, 14457, 15047, 15048, 15049, 15468, 15575 Blz. 271 - 314     161280 1 6
De stemming over de ontwerpen van (rijks)wet: Verklaring dat er grond bestaat een voorstel in overweging te nemen tot verandering in de Grondwet van de bepalingen inzake de begroting - Handelingen Eerste Kamer 1980-1981 16 december 1980 orde 6
vergadering: 16 december 1980
 
1 9 december 1980, behandeling, 15047, 15048, 15049, 15468, 15575, Blz. 233 - 270     091280 1 3
De voortzetting van de behandeling van de ontwerpen van (rijks)wet: Verklaring dat er grond bestaat een voorstel in overweging te nemen tot verandering in de Grondwet van de bepaling inzake de regelin... - Handelingen Eerste Kamer 1980-1981 09 december 1980 orde 3
vergadering: 9 december 1980
 
1 2 december 1980, behandeling, 15047, 15048, 15049, 15468, 15575, 15681, 16086, 16131, 14213, Blz. 195 - 232     021280 1 4
De behandeling van de ontwerpen van (rijks)wet: Verklaring dat er grond bestaat een voorstel in overweging te nemen tot verandering in de Grondwet van de bepaling inzake de regeling van delen van het ... - Handelingen Eerste Kamer 1980-1981 02 december 1980 orde 4
vergadering: 2 december 1980
 
1 17 oktober 1980, eindverslag, nr. 15a     KST15046N15aK1
Eindverslag van de vaste commissie voor algemene zaken en huis der koningin
 
1 9 oktober 1980, memorie van antwoord, nr. 15     KST15046N15K1
Memorie van antwoord
 
1 4 september 1980, voorlopig verslag, nr. 139     KST15046N139K1
Voorlopig verslag van de vaste commissie voor algemene zaken en huis der koningin
 
2 24 april 1980, stemming(en), 15049, 15468, Blz. 4477 - 4528     240480 2 16
De stemmingen over de ontwerpen van (rijks)wet: Verklaring dat er grond bestaat een voorstel in overweging te nemen tot verandering in de Grondwet van de bepaling inzake de regeling van delen van het ... - Handelingen Tweede Kamer 1979-1980 24 april 1980 orde 16
vergadering: 24 april 1980
 
2 23 april 1980, behandeling, 15049, 15468, Blz. 4429 - 4476     230480 2 3
De voortzetting van de behandeling van de ontwerpen van (rijks)wet: Verklaring dat er grond bestaat een voorstel in overweging te nemen tot verandering in de Grondwet van de bepaling inzake de regelin... - Handelingen Tweede Kamer 1979-1980 23 april 1980 orde 3
vergadering: 23 april 1980
 
2 25 maart 1980, behandeling, Blz. 4053 - 4096     250380 2 6
Lijst van ingekomen stukken (dinsdag 25 maart 1980) - Handelingen Tweede Kamer 1979-1980 25 maart 1980 orde 6
vergadering: 25 maart 1980
 
2 18 maart 1980, motie, nr. 11     KST15046N11K2
Motie van het lid Korte-van Hemel C.S.
 
2 18 maart 1980, amendement, nr. 10     KST15046N10K2
Amendement van het lid Roethof
 
2 18 maart 1980, behandeling, 15049, 15468, Blz. 3869 - 3926     180380 2 14
De behandeling van de ontwerpen van (rijks)wet: behandeling van 15046, 15049 en 15468 -
vergadering: 18 maart 1980
 
2 4 maart 1980, nota, nr. 9     KST15046N9K2
Nota naar aanleiding van het eindverslag
 
2 19 februari 1980, eindverslag, nr. 8     KST15046N8K2
Eindverslag
 
2 31 oktober 1979, memorie van antwoord, nr. 7     KST15046N7K2
Memorie van antwoord
 
2 18 april 1979, voorlopig verslag, nr. 6     KST15046N6K2
Voorlopig verslag
 
2 30 mei 1978, nr. 5     KST15046N5K2
Vergelijkend overzicht
 
2 30 mei 1978, bijlage(n), nr. 4     KST15046N4K2
Bijlagen bij de memorie van toelichting
 
2 30 mei 1978, memorie van toelichting, nr. 3     KST15046N3K2
Memorie van toelichting
 
2 30 mei 1978, Koninklijke boodschap, nr. 2     KST15046N2K2
Ontwerp van wet
 
2 30 mei 1978, Koninklijke boodschap, nr. 1     KST15046N1K2
Koninklijke boodschap
 

7.

Over dit dossier

Dit parlementaire dossier is door PDC automatisch samengesteld en verrijkt en redactioneel gecheckt. Op basis van dezelfde methoden en technieken creëert PDC 24/7 actuele dossiers in de Parlementaire Monitor en in de EU Monitor. Met behulp van de monitoren volgt u Den Haag en Brussel op de voet of blikt u terug op eerdere besluitvorming. Neem contact op als u meer wilt weten over de parlementaire data van PDC of over een abonnement op een monitor.