Artikel 109: Ambtenarenrecht

108
Artikel 109
110

De wet regelt de rechtspositie van de ambtenaren. Zij stelt tevens regels omtrent hun bescherming bij de arbeid en omtrent medezeggenschap.


In andere talen:

English "English"
Français "Français"
Deutsch "Deutsch"
Español "Español"

Inhoudsopgave van deze pagina:

1.

Toelichting

In de Ambtenarenwet is de rechtspositie van alle ambtenaren geregeld. Daarbij is te denken aan de rechten en plichten van de ambtenaren. Het betreft alle ambtenaren, dus ook ambtenaren van lagere overheden en militaire ambtenaren, zoals officieren en soldaten.

Voor de arbeidsbescherming en de medezeggenschap van alle ambtenaren geldt dat daar regels voor moeten zijn die gebaseerd zijn op de wet.

2.

Formele toelichting

Artikel 109 betreft de rechtspositie, de arbeidsbescherming en de medezeggenschap van alle ambtenaren, zonder onderscheid: burgerlijke ambtenaren in dienst van het rijk en van andere publiekrechtelijke lichamen, zoals provincies en gemeenten, en militaire ambtenaren.

De regeling van de rechtspositie van de ambtenaren moet op de wet berusten. In dit verband is de Ambtenarenwet met de daarop gebaseerde regelgeving van belang.

Een afzonderlijk grondwetsartikel over ambtenaren, naast de algemene bepaling over de rechtspositie van hen die arbeid verrichten in het tweede lid van artikel 19, is opgenomen in verband met de noodzaak van de aanwezigheid van een ambtelijke dienst en het belangrijke aandeel van ambtenaren in de uitvoering van de overheidstaak.

In verband met de onafhankelijke positie van de leden van de rechterlijke macht, van de Raad van State en van de Algemene Rekenkamer zijn over de regeling van hun rechtspositie specifieke bepalingen opgenomen in de hoofdstukken 4 en 6 (vgl. de artikelen 74, 77 en 117).

3.

In eenvoudig Nederlands

In de wet staan de rechten en plichten van ambtenaren. In de wet kan ook staan dat iemand anders hierover beslist.

Uitleg

In artikel 19, punt 2 van de Grondwet staat dat in de wet de rechten en plichten van werknemers staan. Ambtenaren zijn ook werknemers. Maar ambtenaren zijn bijzondere werknemers, omdat zij bij de overheid werken. Daarom is er een apart artikel in de Grondwet, waarin staat dat in een aparte wet de rechten en plichten van ambtenaren staan. In deze wet staan dingen over hun salaris, maar ook over de arbeidsomstandigheden van ambtenaren. En over de manier waarop ambtenaren mee mogen beslissen over hun werk.

Wat een ambtenaar precies is, staat niet in de wet. Iedereen die bij de overheid werkt, is een ambtenaar. Ook mensen die een tijdelijk arbeidscontract bij de overheid hebben, zijn ambtenaar. Maar de leden van rechtbanken, gerechtshoven, de Hoge Raad, de Raad van State en de Algemene Rekenkamer zijn geen ambtenaar. Hun rechten en plichten staan in aparte wetten.

4.

Ontwikkeling artikel

1798

Het zend, jaarlijks, aan het Vertegenwoordigend Lichaam de gewoone, of ook buitengewoone, begrootingen van Staats-Uitgaven, gelijk ook eene verändwoording der Penningen, geduurende het voorig jaar door hetzelve uit de Nationaale Kas ontvangen en uitgegeven; beiden op den tijd en wijze, in TITUL VI, Afd. II, bepaald.

1801

Het Staats-Bewind heeft het Bestuur der Nationaale Geldmiddelen; hetzelve regelt de vaste Jaarwedden der Nationaale Amptenaren, en onderzoekt het gene ieder Jaar voor den dienst der republiek gewoon of buitengewoon gevorderd wordt. Hetzelve legt de kosten van dien in Algemeene begrootingen aan het Wetgevend Lichaam voor, en vraagt de inwilliging der daartoe benodigde Geldmiddelen.

Ingevalle de gewone inkomsten niet toereikende zyn tot goedmaking der gewone kosten, draagt het Staats-Bewind nieuwe Algemeene Belastingen aan het Wetgevend Lichaam voor; doch tot goedmaking der buitengewone kosten, draagt hetzelve of buitengewone belastingen voor den tyd van één Jaar, of vrywillige of onvrywillige Negotiatien aan het Wetgevend Lichaam voor, en ingeval van het laatste tevens het fonds tot betaling van de Interessen en aflossing der genegotieerde Capitalen.

1805

De Raadpensionaris heeft het Opperbestuur der Nationale Geldmiddelen. Hij bepaalt de vaste Jaarwedden der Nationale Ambtenaren van den Staat.

1806

De Koning beschikt niet anders over de Geldmiddelen van den Staat, dan overeenkomstig de Wet.

1814

De Souvereine Vorst heeft het opperbestuur der algemeene geldmiddelen. Hij regelt de tractementen van alle Kollegiën en Ambtenaren, welke uit 's Lands kasse betaald worden, en brengt dezelve op de begrooting der staatsbehoeften.

1815

De Koning heeft het opperbestuur van de algemeene geldmiddelen. Hij regelt de bezoldiging van alle kollegiën en ambtenaren die uit 's Lands kas betaald worden, en brengt dezelve op de begrooting der staatsbehoeften.

De bezoldiging der ambtenaren van de Regterlijke magt wordt door de wet geregeld.

1887

De Koning heeft het opperbestuur van de algemeene geldmiddelen. Hij regelt de bezoldiging van alle colleges en ambtenaren, die uit 's Rijks kas worden betaald.

De wet regelt de bezoldiging van den Raad van State, van de Algemeene Rekenkamer en van de regterlijke magt.

De Koning brengt de bezoldigingen op de begrooting der Rijksuitgaven.

De pensioenen der ambtenaren worden door de wet geregeld.

1917: art 63, 1922: art 63, 1938: art 65, 1948: art 65, 1953: art 72, 1956: art 72, 1963: art 72, 1972: art 72
1983

De wet regelt de rechtspositie van de ambtenaren. Zij stelt tevens regels omtrent hun bescherming bij de arbeid en omtrent medezeggenschap.

1987: art 109, 1995: art 109, 1999: art 109, 2000: art 109, 2002: art 109, 2005: art 109, 2006: art 109, 2008: art 109, 2017: art 109, 2018: art 109