Officiële toelichting

Sire!

De Commissie door Uwe Majesteit benoemd, tot herziening van de grondwet der Vereenigde Nederlanden, en het voorstellen der wijzigingen door de vergrooting vna het grondgebied, de oprigting van het Koningrijk der Nederlanden, en de bepalingen der traktaten van Londen en Weenen noodig geworden, heeft zich van dezen taak gekweten, met al den ijver, welken het gewigt der zaak en de begeerte om aan het vertrouwen door Uwe Majesteit in haar gesteld, te beantwoorden, vorderde.

Uwe Majesteit heeft in het afgeloopen jaar aan de aanzienlijken, te Amsterdam bijeen gekomen, verklaard dat dezelve de Souvereiniteit aanvaard had, onder de uitdrukkelijke voorwaarde, dat de vrijheid der personen, de zekerheid der eigendommen, alle burgerlijke voorregten, in één woord, die een waarlijk vrij volk kenmerken bij eene doelmatige grondwet zouden gewaarborgd worden.

Inhoudsopgave van deze pagina:

Uitgangspunten

Deze woorden dankbaarlijk in aller harten geprent, de zeden en gewoonten des volks, zijn huishoudelijk bestaan, inrigtingen door de eeuwen beproefd, hadden dan ook den grond gelegd eener eerste grondwet, bij welker zamenstelling zeker mistrouwen voor loutere bespiegelingen geheerscht heeft, door zoo veel staatsregelingen van het oogenblik geregtvaardigd; die grondwet is niet een vrucht van het vernuft, maar berekend naar de behoeften der natie in het begin der 19e eeuw.

Zij had niet opgebouwd, wat door den tijd geheel vervallen was, zij had enkel vernieuwd hetgeen met vrucht kon behouden blijven, en in dien geest had zij de Staten der provinciën doen herleven, maar tevens haar bestaan gewijzigd. In hunne betrekking tot de algemeene landsregering was hunne bemoeijenis niet altijd boven billijke bedenkingen verheven geweest; die bemoeijenis heeft opgehouden: maar belast met het inwendig bestuur hebben de provinciale Staten oneindig veel toegebragt tot de welvaart van het land; dat bestier was hun terug gegeven, gelijk mede aan de steden en het platte land, die vrije regeling hunner inwendige huishouding was verzekerd, welke met het algemeen welzijn bestaanbaar kan gerekend worden.

De wet had voorts den Souverein bekleed met al het gezag en de magt, welke geschikt is om zijne hooge waardigheid allerwege te doen eerbiedigen. Zij had de wetgevende magt geplaatst in de zamenstelling van den Vorst met de Staten-Generaal, benoemd door de provinciale Staten, welke ieder op hunne beurt gekozen worden door alle ingezetenen die eenig belang in 's lands welvaart hadden.

In zulk een wel ingerigt zamenstel van wetten en inrigtingen erkenden de leden der commissie uit de zuidelijke provinciën spoedig de gronden hunner aloude gesteldheid, de beginselen hunner aloude vrijheid en onafhankelijkheid, en het heeft Weinig moeite gekost Sire! deze grondwet te wijzigen en te schikken naar de behoeften van twee volkeren, die eenmaal tot hun ongeluk, en dat van geheel Europa gescheiden, niets meer ter harte hebben, dan zich nu ter bevordering van eigen welvaart en aller volkeren waar belang door eenen onverbreekbaren band te vereenigen.

Daartoe bepaalde zich onze taak: ten grondslag van onze werkzaamheden die eerste wil, en hare welmeenende en vaderlijke bedoelingen genomen hebbende, zoo hebben wij de algemeene beginselen en bijzondere bepalingen daarin voorkomende, geleidelijk nagegaan.

Wij hebben getracht, Sire! in uwen geest in te dringen en aan de staatswet, naar welke uw schoon Rijk zal bestierd worden, dat kenmerk van regtvaardigheid en algemeene welwillendheid te geven, dat men in alle uwe daden in alle uwe gevoelens telkens wedervindt.

Verre was van ons de trotsche waan in alles te willen voorzien, alles te regelen, en wij hebben aan de ondervinding van lateren tijd ook haar deel ter volmaking van dit werk gelaten; dikwijls hebben wij alleenlijk de fondementen gelegd, waarop uwe wijsheid door andere raadslieden en den tijd zelven voorgelicht, de inrigtingen vestigen zal, welke nu meer aangewezen, dan daargesteld zijn, en daarna zonder schadelijke overhaasting, maar tevens zonder onnoodig dralen opgetrokken het gebouw volmaken zullen, waarvan wij de omtrekken geteekend, de gronden gevestigd hebben.

Noordelijke en zuidelijke provinciën, Luxemburg

Bij de verdeeling van het Rijk hebben wij voor de noordelijke provinciën die der eerste grondwet behouden, en alzoo aan elke provincie hare oude grenzen met weinige veranderingen, die haar belang zelve kenschetst. Gelijk belang heeft ons bewogen voor de zuidelijke provinciën eenen tegengestelden grond aan te nemen en de uitgestrektheid der tegenwoordige departementen te behouden, met verandering alleenlijk van de benamingen (art. 2). Een tijdverloop van meer dan 20 jaren heeft tusschen de ingezetenen der departementen betrekkingen daargesteld, welke men niet kan losscheuren, zonder ontallijke belangen te kwetsen en eene verwarring te weeg te brengen, even moeijlijk voor de regering, als onnut ja schadelijk voor de ingezetenen zelve.

Wij hebben den rang der provinciën bepaald, zoo als die vóór hare scheiding bestond ten tijde van Karel den Vijfden.

De provincie Luxemburg, welke den titel van Groot-Hertogdom voert en die voor Uwe Majesteit en deszelfs Huis de plaats der vorige Duitsche Staten bekleedt is voor het Rijk eene zeer belangrijke aanwinst. Wij weten, Sire! dat verdragen tusschen de leden van Uw vorstelijk geslacht gesloten, aan den tweeden Uwer Zonen bepaalde regten op de Nassausche Staten gewaarborgd hebben; maar wij geloven, Sire! dat aan de Staten-Generaal moet worden overgelaten, om hetzij bij eener overgift van domeinen, of op eenige andere wijze daaromtrent de vergoeding voor te stellen welke het meest geschikt zijn zal om te voldoen aan hetgeen de billijkkheid en de erkentenis der natie voorschrijft.

_ Wij verstouten ons nog, Sire! den wensch te uiten, dat, met overeenstemming Uwer Bondgenooten zoodanige schikkingen gemaakt worden, door welke het Groot-Hertogdom Luxemburg nimmer en in geen geval kan ophouden een gedeelte van het Koninkrijk uit te maken; deze wensch is gegrond op het belang van den Staat, maar niet minder op dat van Europa zelve.

Grondrechten

Alle de waarborgen, welke bij de eerste grondwet aan de persoonlijke vrijheid, en het rustige bezit der eigendommen gegeven waren, zijn ook in het nieuw ontwerp te vinden, en wij hebben niet noodig gehad veel daarbij te voegen.

Alle willekeurige gevangennemingen is verboden, (art. 168).

Vorderen gewigtige bedenkingen een politieke aanhouding, binnen drie dagen moet dan de aangehouden persoon aan den Regter worden aangegeven, (art. 169).

Niemand wordt tegen zijnen wil aan den dagelijkschen Regter onttrokken (art. 167)

De onregtvaardige straf van verbeurdverklaring blijft afgeschaft. (art. 171).

Alle vonnissen worden in het openbaar uitgesproken (art. 174.): die in burgerlijken zaken te vellen, moeten de gronden inhouden, op welke zij berusten (art. 173.); in criminele Vonnissen moet de misdaad met hare omstandigheden en de wet, die den grond tot veroordeeling oplevert uitgedrukt worden, (art. 172)

Niemand mag van zijn eigendom ontzet worden, dan, wanneer het algemeen belang zulks vordert, en tegen eene billijke schadeloosstelling (art. 164).

De woning van elk onderdaan des Konings, is hem een veilig verblijf (art. 170).

De wet erkent en regelt op eene voegzame wijze het regt van elk ingezeten, om zijne belangen bij 's lands regering in te brengen (art. 161.),

Zij gedoogt geene voorregten in 't stuk der belastingen (art. 198).

Des Konings onderdanen zijn zonder onderscheid van geboorte of godsdienstige begrippen, tot ambten en bedieningen bevoegd (art. 11 en 192).

Tot de hoogere posten zijn alleenlijk verkiesbaar ingezetenen, geboren uit ouders binnen het rijk gevestigd {art. 8); maar tot alle andere kunnen ook zij geroepen worden, die door wetduiding of naturalisatie voor Nederlanders gehouden worden. Het gastvrije Nederland toch, zal bij voortduring bescherming en hulp verlenen aan hen die door deszelfs zachte wetten en vaderlijke regering gelokt, zich in hetzelve nederzetten: maar het regt om over de hoogere belangen van het volk zijne stem uit te brengen, en aan de bestiering der gemeene zaak deel te nemen, kan aan niemand worden toegekend, die niet de liefde voor het vaderland met de eerste melk heeft ingezogen.

De vrijheid der drukpers, is aan geene andere bepalingen onderworpen, dan elke andere daad der burgeren, de verantwoordelijkheid namelijk van den schrijver, drukker en uitgever (art. 227).

Wij hebben onder de eerste pligten van 's lands regering gebragt, de zorg voor het openbaar onderwijs; hetzelve toch verspreidt bij alle klassen der maatschappij nuttige kennis en bij derzelver beschaafde standen die liefde voor de wetenschappen en fraaije letteren welke het leven veraangenamen, een gedeelte van den waren volksroem uitmaken, en met de welvaart zoo wel als met de zekerheid van den Staat in een waarlijk belangrijk verband staan, (art. 226).

In weinige landen is zoo veel voor de onvermogende gedaan, als in het onze; men zoekt te vergeefs elders zoo veel gestichten, waar de grijsaard eene rustplaats, de zwakke hulp en bijstand, en de jeugd kosteloos onderwijs vinden kan. - Het levendig belang, dat Uwe Majesteit in die gedenkteekenen van voorvaderlijke godsdienst, christelijke liefde en weldadigheid stelt, is bij de grondwet aan alle onze Koningen voorschreven (art. 228).

Bij hetzelve is eindelijk het dierbaarste alle regten verzekerd, de vrijheid van geweten (art. 190).

Wij durven ons vleijen, Sire! dat deze onderscheiden bepalingen in uwe edele bedoelingen beantwoorden.

Lokale besturen, provinciale Staten, stemrecht

De steden, districten en dorpen, rigten hunne huishouding naar elks plaatselijke gesteldheid in, mits maar het algemeen belang daarbij niet worde uit het oog verloren. - De plaatselijke regeringen bestieren als goede huisvaders maar hunne bijzondere huishouding maakt een gedeelte van de algemeene uit, zij moeten dus dezer belangen niet kwetsen (art. 155).

De Staten der Provinciën keuren de begrooting der plaatselijke uitgaven goed (art. 156). De algemeene Regering neemt daarvan (des noods) kennis en beschikt daaromtrent zoo als het algemeen welzijn vordert (art. 159). Zij schorst en stelt buiten werking alle de handelingen der plaatselijke Regeringen, welke tegen de wetten en het algemeen belang aandruisschen (art. 155).

De gemeente ten platte lande zullen hunne oude, of later afgebakende scheidingen behouden, of ook geheel nieuwe verkrijgen; hunne oude en bestaande of geheel nieuwe benamingen aannemen, naar mate de omstandigheden en het plaatselijk belang zulks medebrengen. Dit alles zoo wel als de wijze waarop bet bestier zal geregeld worden, wordt bij reglementen bepaald, door den Koning vasttestellen, na ingenomen advies van de provinciale Staten der plaatselijke Regeringen of bijzondere commissiën zamengesteld uit de leden die met de plaatselijke aangelegenheden bekend zijn en daarin belang hebben (art. 132 en 154).

Wij hebben straks het goede aangestipt door het bestier der Provinciale Staten in vroegere dagen tot de algemeene welvaart bijgebragt. - Van alle bemoeijenis met de grootere belangen van den Staat ontslagen, zal hun bestier nog nuttiger zijn. Tallooze inrigtingen, openbare werken van het grootste belang, en de steeds bloeijende welvaart van vroegere dagen, hebben zoo in de noordelijke als zuidelijke Provinciën de nuttige strekking van zulk een bestier bewezen, en met wêerzin had men deszelfs vernietiging daargesteld gezien. Door verlichte mannen in een naburig land, alwaar zulke regeringen niet zeer algemeen bekend waren, boven alle andere wijze van bestier aangeprezen, zal hetzelve in ons zamenstel van regering een heilzaam en doelmatig middel zijn om de gehechtheid en den eerbied voor de wetten aantekweeken, welke zoo veel te vaster kleven naarmate zij meer op ernstig vertrouwen gegrond zijn. - In uw hart toch, Sire! kunnen die heillooze staatsregelen niet opwellen welke het belang des Vorsten van dat des volks afscheiden, en alzoo het heil en de kracht miskennen, dat door derzelver standvastige en naauwe vereeniging alleen wordt daargesteld.

De Staten zullen de behoeften en nooden hunner provinciën en de redelijke begeerten van des Konings onderdanen ter zijner kennis brengen (art. 151).

Belast met de inwendige huishouding hunner provinciën, maken zij onder 's Konings goedkeuring de noodige bepalingen te dien aanzien (art. 146).

Zij deelen naar bepaalde regelen de beheering van den Waterstaat, (de bruggen en wegen daaronder begrepen) met een bestier, aan hetwelk de vorige grondwet om de belangrijkheid der Zaak zeker constitutioneel bestaan gegeven heeft, hetwelk ook wij behouden hebben (art. 215-225).

Voor het overige behooren alle takken van het provinciaal bestuur tot de bemoeijenis der Staten: - maar het getal der leden moet uit den aard der instelling aanzienlijk zijn; zij kunnen dus niet altijd vergaderd blijven; en benoemen daarom tot uitvoering van dat gedeelte van hun gezag, hetwelk eene dagelijksche zorg en een steeds voortdurend toezigt vordert, eene vaste commissie uit hun midden, die wegens hare daden aan hen verantwoordelijk is (art. 158).

De vergadering der Staten, zoowel als die van hunne gedeputeerden heeft tot haren voorzitter eenen commissaris door den Koning benoemd en die tevens belast is met de zorgen voor de belangen der provinciën, voor die der algemeene regeringen en alzoo voor de rigtige uitvoering der wetten (art. 137).

Door deze tusschenkomst wordt de Koning als opperbestuurder van het geheel, op eene regelmatige wijze onderrigt van alles, wat deszelfs vaderlijke bezorgdheid noodig heeft, te weten; deze ambtenaar kan alzoo, door de ware beweegredenen van vele bepalingen optegeven, welker doel ligtelijk zou kunnen miskend worden, een nuttig verband daarstellen tusschen de hoofden der departementen van algemeen bestuur en Staten.

Bij de eerste grondwet waren geene vaste bepalingen omtrent de zamenstelling der provinciale Staten gemaakt, naderhand is die zamenstelling voor elke provincie bij een reglement geregeld, hetwelk met Uwer Majesteits goedkeuring is bekrachtigd. Bij die reglementen zijn in het oog gehouden de oude inrigting in de Vereenigde Nederlanden te voren bestaand hebbende; en zij bevatten niets dat met de Belgische gesteldheid strijdig is. - Wij hebben het nuttig geacht dat de bestanddeelen der Staten in de Grondwet zelve vervat wierden (art. 129).

De Edelen, welke zich al of niet tot ridderschappen kunnen vereenigen (art. 131); de steden en het platteland nemen deel aan het provinciaal bestuur in eene evenredigheid, welke naar het belang van elke provincie kan geregeld worden (art. 129);

Alleen het beginsel staat vast en is overal gelijkvormig, al het overige verschilt naar de plaatselijke aangelegenheden, en kan door Uwe Majesteit naar hetgeen de ondervinding leren zal nuttig te wezen, worden gewijzigd. Hoe gelukkig is niet het volk, dat in het vormen van zijnen staat zich niet behoeft te wagen aan eenen schadelijken spoed, noch zich overgeven aan een geheel blinde toekomst, maar met het volste vertrouwen aan zijnen Kooning de zorg kan overlaten, om de algemeene staatswetten aftewerken en te volmaken.

Wij hebben echter begrepen, Sire! dat er eindelijk een tijd moet geboren worden na welke de gestadige begeerte ter verbetering niet behoorde te worden ingewilligd, daar de vastheid en zekerheid van hetgeen goed bevonden is verkiesselijk is boven de ijdele pogingen om zonder ophouden naar volmaaktheid te streven. Wij hebben daarom vastgesteld om de reglementen door Uwe Majesteit bekrachtigd, voor zoo verre het stemregt, en de zitting in de vergaderingen, dat is de beoefening der politieke regten betreft, na een tijdverloop van tien jaren als een deel der grondwet te doen beschouwen (art. 7).

Staten-Generaal

De verkiezing der leden van de Staten-Generaal is ook bij het nieuwe ontwerp aan de provinciale Staten verbleven: daar deze toch middellijk of onmiddellijk door de natie zelve verkozen worden, zoo zoude het geheel overtollig zijn een ander kieskollegie, ten gemelden einde, opterigten. Het is boven dien geheel overeenkomstig met den geest der grondwet, die zonder aanleiding te geven tot alle de ongelegenheden van eigenlijk gezegde volksvergaderingen, alle de gestelde magten als schakels van eene gemeene keten beschouwd, door van de een tot de andere af te dalen, zelfs eindelijk tot de lagere standen der maatschappij, welke, hoezeer een gering gedeelte in de vervulling der behoeften van den staat bijdragende, echter belang hebben in de nationale vertegenwoordiging (art. 133, 134).

Ten aanzien van het getal der leden, door elke tot de vergadering der Staten-Generaal te benoemen, heeft eenig verschil van gevoelen plaats gehad. Sommige leden der commissie waren van meening, dat daartoe de bevolking als de eenvoudigste, billijkste en zekerste grond in aanmerking komen moest, en bragten vele redenen en voorbeelden bij tot staving van dit gevoelen; anderen dachten, dat de juistheid van dezen grond, en vooral ook deszelfs toepassing op de vereeniging onzer provinciën met klem kon worden tegengesproken, en er wierd wijders aangemerkt dat de buitenlandsche bezittingen, welke de noordelijke provinciën tot moederland hebben, de uitgebreidheid van den handel daaruit geboren, en de millioenen inwoners onder hare regering hebbende, niet gedoogden den grondslag voor de vertegenwoordiging, enkel in de Europeesche bevolking te zoeken; eindelijk dat het eenige middel tot vestiging van eene opregte, en altoosdurende vereeniging tusschen de twee gedeelten van het Rijk was een geheel gelijke vertegenwoordiging van beiden. Met dit gevoelen heeft zich de meerderheid vereenigd.

Het getal van leden uit elk der noordelijke provinciën is hetzelfde gebleven; dat der zuidelijke is op een billijke wijze, en in evenredigheid zoo van het getal der ingezetenen, als van dat der gedeputeerden, door welke zij reeds waren vertegenwoordigd, geregeld (art. 79.)

Dan er is een ander deel der Staten-Generaal, Sire! hetwelk wij meenen dat niet behoort te worden afgewisseld. De vergrooting van den Staat, de rang dien dezelve onder de Volken van Europa bekleedt, de verschillende bestanddeelen waaruitdezelve is zamengesteld, deszelfs meer ingewikkelde belangen maakten ons ten pligt met de ondervinding te rade te gaan.

Ten einde dan alle overijling in de raadpleging te voorkomen, in moeijelijke tijden aan de driften heilzame palen te stellen, den Troon te omringen door een bolwerk, waar tegen alle partijen afstuiten, aan de natie eene volkomen zekerheid te waarborgen tegen alle willekeurige uitbreiding van gezag, oordeelden wij het nuttig, Sire! op het voorbeeld van magtige Rijken en bloeijende Gemeenebesten de Vertegenwoordiging des Volks in twee kamers aftedeelen; wij hebben te dezen aanzien echter geene vreemde instellingen nagevolgd, welke met onze zeden niet waren overeen te brengen; wij hebben de gronden en Wijziging dezer instelling gezocht in het wezenlijk doel van dezelve.

Aan de afdeeling der Staten-Generaal daargesteld met oogmerk om driften en dwalingen van het oogenblik tegen te gaan, is niet toegekend het regt om eenige voorstellen te doen, - zij behoort enkel lijdelijk te wezen, en bepaalt zich alzoo tot de aanneming of verwerping der voorsteHen aan hun gezonden, - voorzichtigheid en wijsheid zijn de groote vereischten in hare leden, - de ontworpen grondwet vordert een ouderdom van 40 jaren.

De grootste waarborg, welken zij aan den Staat kunnen geven, is het groot belang, dat zij zelven bij het algemeen welzijn hebben; - zij worden daarom gekozen uit hen, die door diensten aan den Staat bewezen, door hunne geboorte, of door hun vermogen tot de aanzienlijkste van den lande behooren. - Niets is er bijna, wat elk mensch krachtdadiger zoekt te handhaven, dan persoonlijke achting en aanzien, en de herinnering en de belooning der diensten door hem beweezen: hartelijk dus moet de verkleefdheid zijn aan het Vaderland, van hen, die het aanzijn, dat hij geniet, verschuldigd is aan eenen naam dien zijne voorouders door werkelijke diensten aan het Vaderland verëdeld hebben. - De Bezitters van een groot vermogen, in vaste goederen gevestigd, aan den Staat verstrekt, of nuttiglijk in den handel aangelegd, zullen buiten twijfel zorgvuldig waken, dat geen bron van algemeene welvaart worde gestopt of uitgedroogd.

Om hen eene nuttige onafhankelijkheid te bezorgen, hebben wij voorgedragen dat zij voor hun leven zullen worden aangesteld. - Hunne benoeming staat geheel aan den Koning. De geest der monarchie en het belang der natie vorderen dit om strijd; daardoor bekomt de Vorst op de eerste standen der maatschappij eenen invloed, welks nut zich allerwege verspreid. - Wij hebben ons steeds ten vasten regel uitgekozen, de grondwet overeen te brengen met den waren aard eener gematigde monarchie (art. 80.)

Wetgeving

De Koning zendt de voorstellen, welke Hij in den Raad van State heeft doen overwegen, aan de Kamer, welke door de provinciale Staten verkozen is, (art 106); deze onderzoekt dezelve, en brengt ze bij aanneming in de eerste kamer, welke op gelijke wijze de zaak onderzoekt (art. 109); deze kamer ontvangt en overweegt mede de voorstellen door de tweede kamer aan den Koning gedaan; nimmer stelt zij zelve iets voor (art. 114 en 115).

Zoo zij zulk een voorstel aanneemt, zendt zij het aan den Koning die hetzelve aanneemt, of verwerpt (art. 116).

Veelal zal deze kamer bij het afslaan van eenig voorstel der andere, aan den Koning besparen de oefening Van een heilzaam en hoogstnoodzakelijk regt, maar hetwelk toch door eene te veelvuldige herhaling het onderling vertrouwen zou kunnen deeren, welks behoud zoo nuttig voor de Vorsten, zoo heilzaam voor de volkeren is. Overigens is de wet steeds het uitvloeisel van het gemeen overleg des Konings en der beide kamers van de Staten-Generaal (art. 119).

In vele onzer provinciën, bijzonder in de noordelijken, hadden de gezamenlijke burgers een niet onbeduidend aandeel in de bestiering der zaken, door de wijze zelve op welke de verschillende regerings-kollegiën op zich zelve en onderling waren gewijzigd - deze deelneming bevorderde den publieken geest, dien grooten springveer van alle besturen, die eene vertegenwoordiging ten grondslag hebben. 's Lands regering bekomt meer kracht, en wordt beter gehoorzaamd, wanneer zij de beweegredenen van hare wetten en bepalingen open legt, en het doel der opofferingen welke zij vorderd, en der krachten welker inspanning zij begeert doet kennen. - Verscheide voorbeelden strekken ten bewijze, welk groot vermogen het Gouvernement verkrijgt, wanneer de hechtheid des volks aan de bevolen maatregelen voortvloeit uit beredeneerde overtuiging.

Wij hebben gemeend, dat deze belangrijke voordeelen best verkregen en bewaard wierden in het openlijk vergaderen der tweede kamer, onder zoodanige bepalingen nogtans als geschikt zijn ter wering van alle misbruik en het tegengaan van eene verkeerde strekking (art. 108.)

Om de ware reden Van eenig voorstel met kracht te doen ontwikkelen en de heilzame inzigten van het Gouvernement naar waarde te doen kennen en beoordeelen, om gelegenheid te geven tot het daarstellen van doelmatige wijzigingen, zoo zullen de hoofden der departementen van algemeen bestuur tot beide kamers der Staten-Generaal toegang hebben; de bevoegheid echter om de vergadering voortelichten geeft hun geen regt van stem (art. 91.)

Er zijn bij de grondwet eenige bepalingen gemaakt omtrent de wijze van raadplegen, welke in den eersten opslag beter bij een reglement van orde schijnen te kunnen worden geregeld - dan wij hebben aan dezelven een des te grooter gewigt gehecht, naar mate wij overtuigd wierden van het nut van eene gestadige en onderlinge verhouding tusschen de leden der vergadering uit de verschillende oorden van het Rijk te zamen gevloeid, en tevens van het daarstellen eener gemakkelijke wijze om aan allen de ware gronden en de tederste bedenkingen te doen kennen welke ter aanneming of verwerping van eenig voorstel leiden kunnen (art. 107.)

Het is ter behouding van de volmaaktste eensgezindheid, dat wij de onderscheiden formulieren hebben voorgeschreven, welke in de stadige wisseling der kamers en onderling en met het Gouvernement moeten worden gebezigd.

Wij achten het voor onnoodig, Sire! de redenen optegeven die ons bewogen hebben tot het voorschrijven van de onderscheiden eeds formulieren. Uwe Majesteit heerscht over een volk, dat voor den eed eenen heiligen eerbied voedt, denzelven nimmer ligtvaardig aflegt, maar getrouwelijk nakomt.

Rechtspraak

De gronden tot opbouw der regterlijke verordeningen in de eerste grondwet gelegd, waren grootendeels overeenkomstig met de oude Hollandsche instellingen en weken niet wezenlijk van die der Belgische provinciën af. Wij hebben dezelve behouden.

Tot beslissing van burgelijke zaken bestaan er regtbanken van eersten aanleg naar het meeste gerijf der twistende partijen geplaatst (art 134 [165]). Een hof van hooger beroep spreekt regt over een of meer provinciën, (art. 182).

Een opperste geregtshof heeft het toezigt over de handelingen van alle regterlijke kollegiën, en is bekleed met zodanig gezag als de wet aan hetzelve nader zal toekennen (art. 180).

De vervolging en bestraffing der misdaden is in elk regtsgebied toebetrouwd aan regters, die ook in burgerlijke geschillen uitspraak doen, en alzoo matigt deze hunne dubbele betrekking eene te groote helling tot strengheid, welke door eene uitsluitende oefening van het strafregt welligt bij hen zoude kunnen geboren worden.

Een hoog militair geregtshof uit regtsgeleerden en krijgslieden zamengesteld, bestemd om de vonnissen der krijgsraden nategaan, en zelve de regtsmagt door de wet aan hetzelve toetekennen te beoefenen, terwijl zeer belangrijke bedenkingen ons hebben doen besluiten, de kennisneming van alle misdaden door het krijgsvolk begaan aan die regtbank optedragen (art. 186).

Voorts zullen de bepalingen van bet burgerlijk en lijfstraffelijk regt, van de regten des koophandels en bet beleid en het zamenstel van bet justitiewezen, voor het geheele Rijk in algemeene wetboeken vervat worden (art. 163).

De onafhankelijkheid der regters is gewaarborgd; zij worden op eenen vasten en wettelijken voet bezoldigd, door den Koning benoemd, en wel de meesten hunner voor hun leven, op voordragt der Provinciale Staten, of van de tweede kamer der Staten-Generaal (art. 126 [?], 182 en 183). Zie daar, Sire! de gronden van een stelsel 't welk door Uwe Majesteit overwogen, en door de Staten-Generaal aangenomen, eene nieuwe weldaad voor dit volk wezen zal.

Krijgsmacht, oorlog

Al wat in de eerste grondwet betrekkelijk de verdediging van den Staat bepaald was, bebben wij ook hier overgenomen.

Eene vaste en duurzame krijgsmagt zal, als het ware, de voorhoede der natie zijn (art. 204).

Eene militie wijsselijk geregeld, zal steeds gereed zijn om ter verdediging van het vaderland toetesnellen. (art 206 en 212.)

De geheele natie eindelijk in schutterijen vereenigd, zal (is het nood) hare vrijheid en onafhankelijkheid tegen eenen vijand weten te verdedigen (art. 213.)

Het is ons verder nuttig toegeschenen eenige bepalingen der onlangs gemaakte wetten op de militie in de grondwet over te nemen, daar zij aan den Staat de diensten verzekert, welke deze regt heeft te vorderen, en aan de ingezetenen de opvolging van vaste en onwrikbare voorschriften toezegt, en hen alzoo behoedt tegen willekeurige en ondoordachte maatregelen.

Bij het regelen van dezen heiligen pligt, hebben wij ons twee der belangrijkste tijdperken onzer geschiedenis verlevendigd; de bevrediging van Gend, welke de ongelukkige scheiding der zeventien provinciën vooraf ging, en de Unie van Utrecht, dien eersten grondslag van nationale onafhankelijkheid, dien bron van zoo veel roems en voorspoed. Eenmaal zal onze nakomelingschap met eene edele trotschheid terugzien op die gedenkwaardige dagen, toen Hollanders en Belgen, nog niet geheel tot éénen staat vereenigd, maar door onderlinge liefde en achting nauw verbroederd, onder de standaarden uwer dappere zonen, gewedijverd hebben met de geoefendste krijgsbenden op de oevers van de Sambre en de vlakten van Waterloo; - op die schoone dagen, toen zij, waardig om onder het geleide van Nassau's heldenkroost te strijden, de achting uwer bondgenooten, den welverdienden roem en onverwelkbare lauweren verdienden, welke de heilige onderpanden zijn van den moed en ijver waarmede zij ten allen tijde zullen gereed zijn, om hun vaderland, hunnen Koning en eene grondwet, welke onder zulke gunstige voortekenen wordt daargesteld, met hun bloed tegen allen aanval te beschermen. Alzoo zal de onafhankelijkheid eens volks waardig om vrij te zijn, en aan het hoofd hebbende een geslacht, waarin wijsheid en heldenmoed erfgoederen zijn, door zijne naburen steeds geëerbiedigd worden.

De Vorsten van uw huis, Sire! zullen zekerlijk met wijze behoedzaamheid gebruik maken van het recht om oorlog te verklaren [art. 57]; dit regt is in eene welgeregelde monarchie onafscheidelijk van den persoon des Vorsten; wij hebben hetzelve niet in het minste beperkt.

Koning en natie, godsdienst

Sire! Wij mogen vrijmoediglijk aan Uwe Majesteit verklaren dat wij in de overdenking en behandeling der rechten van de Kroon nooit uit het oog verloren hebben, hoezeer de vrijheid en de regten des volks U ter harte gaan; wij zijn overtuigd, dat de ontworpen grondwet aan den Vorst al het gezag geeft, hetwelk uit het wezen onzer regeringsvorm voortvloeit, door de uitgestrektheid van het grondgebied geboden, en dat tot eene steeds werkzame en vaste bestemming van aller regten, en aller belangen vereischt wordt. Wij hebben echter gemeend hier en daar bepalingen te maken, welke wij ons verzekerd houden, dat Uwe Majesteit zelve zal willen gesteld zien voor eene Monarch in latere tijden, die het ongeluk had niet geheel aan Uwe Majesteit te kunnen vergeleken worden.

De onderlinge betrekkingen en verpligtingen tusschen den Koning en de natie worden door plegtige eeden versterkt. De inhuldiging des Konings zal vergezeld gaan met al dien luister, aan zulk eene gewigtige gebeurtenis eigen, en overeenkomstig de oude gebruiken, openlijk onder den blooten hemel in tegenwoordigheid van eene groote schaar zijner onderdanen, zal de Koning hulde en verklaring van trouw ontvangen van de geheele natie, en Hij zal zelve met plegtigen eede zweren de grondwet te zullen nakomen, het geluk van zijn volk met al zijn vermogen te zullen bevorderen, en alzoo zich te zullen gedragen naar de voorbeelden, door den Stichter onzer nationale onafhankelijkheid en den eersten onzer Koningen gegeven.

De overdragt der Kroon in Uwer Majesteits aanzienlijk geslacht, zoo als zij bij de eerste grondwet geregeld was, is bij de tractaten, welke Europa bevredigd hebben, bevestigd. Wij hebben aan de gelegde gronden alleenlijk die nadere ontwikkeling gegeven, welke vereischt schenen, om in alle gevallen twijfelingen en uitleggingen te voorkomen, Welke aan de volken dikwijls zoo veel onheil hebben berokkend (art. 14-21).

Verschillende godsdienstige gezindheden zijn in de Vereenigde Nederlanden zamengekomen, en derwaarts gelokt door de zachtheid der wetten en de bescherming der regering: zij blijft dezelfde (art. 151 [?]).

Welligt was er geene andere bepaling noodig geweest, en had men aan Uwe Majesteit geheel kunnen overlaten om naar de inspraak des harten voor de leeraars van den Godsdienst te zorgen. Dan wij meenden, dat de grondwet voor Uwe opvolgers ten pligt moest maken, Uwe edele gevoelens over te nemen, en dat zij daarenboven de verzekering geven moest dat nooit eenige gezindheid eene andere in de beoefening van zijne eerdienst storen kon, door stellig te verklaren, dat de staatswet aan allen gelijke bescherming verleent (art. 193-198 [190-196]).

Wijzigingen, overgangsbepalingen

Wij hebben reeds aangemerkt, Sire! dat naar ons inzien eene staatsregeling, welke alle wettige regten verzekert, welker gronden geheel in de zeden en in de geaardheid der natie liggen, op eene grootere duurzaamheid hopen mag, dan wanneer zij op loutere bespiegelingen gebouwd is: maar de tijd verandert en wijzigt alles, en het is ons toegeschenen, dat er groote nuttigheid was in het behouden van een middel om die veranderingen niet op een te voren geregeld en bepaald tijdstip, maar in geval van gebiedende noodzakelijkheid te kunnen verkrijgen, zonder gevaar te loopen, tot alle verkeerde nieuwigheden te vervallen (art. 199-233 [229-234]).

De grondwet voor de Vereenigde Nederlanden, had aan de commissie, die dezelve ontworpen had, opgedragen de bevoegdheid om derzelver bepalingen, ingeval van twijfeling, gedurende de drie eerste jaren na derzelver invoering, uit te leggen: wij hebben gedacht dat de wet, die het gemeen overleg van den Koning en de Staten-Generaal uitdrukt, de meeste bevoegdheid tot zulk eene uitlegging had, daar dezelve in waarheid niets is, dan eene juiste toepassing van de grondwet zelve.

Ten einde met behoedzaamheid en zonder schokken de veranderingen daar te stellen welke de nieuwe grondwet noodig maakt, heeft zij bij eenige afzonderlijke artikelen aan Uwe Majesteit opgedragen, om geleidelijk alle de onderscheiden bepalingen in werking te brengen, welke zij inhoudt, en om voor de eerste reis de leden der tweede kamer van de Staten-Generaal, en alle andere magistraatspersonen en ambtenaren aan te stellen, al ware hunne benoeming voor het vervolg op eene andere wijze geregeld (art. add. 1).

Volgens die artikelen blijven ook in volle kracht de wetten, welke de onderscheiden gedeelten van het Rijk bestieren, tot op het oogenblik dat zij met den wenschelijken spoed, maar tevens zonder overhaasting, door andere rijpelijk doordachte wetten zullen zijn vervangen, en aldus heeft de grondwet zich de beste steun, de magtigste hulp verschaft, welke zij erlangen kan, dat is Uwe wijsheid en Uwe onbegrensde liefde voor het volk (art. add. 2).

Mogt Sire! deze grondwet door Uwe doorzigt gelouterd, door den tijd verbeterd, tot de welvaart van het rijk medewerken, het geluk der natie vermeerderen, en de onderlinge liefde en genegenheid van Vorst en onderdanen aankweeken, welke zoo vruchtbaar tot waar heil, alleenlijk het voorregt is van eenen goeden Vorst en onder Uw bestier ons de heerlijkste toekomst oplevert. '

's-Gravenhage, den 13den Julij 1815.

GYSBRECHT KAREL VAN HOGENDORP.

W. VAN TUYLL VAN SEROOSKERKE VAM ZUYLEN.

Le Baron D'ANETHAN.

Par procuration de Mr. RAEPSAET, B.J. HOLVOET.

J.H. MOLLERUS.

H.W. vAN AYLVA.

GENDEBIEN.

A.J.C. LAMPSINS.

WILH. QUEYSEN.

Le Comte DE THIENNE LOMBIZE.

Le Comte DE MEAN.

O. LE CLERCQ.

THEOD. DOTRENGE.

Le Comte DE MERODE WESTERLOO.

B.J. HOLVOET.

J. V.D. DUSSEN.

CORNELIS THEODORUS ELOUT.

F. DU BOIS.

J.E.N. VAN LYNDEN.

C.F. VAN MAANEN.

E.J. ALBERDA.

F. VAN DER DUYN VAN MAASDAM.

DE CONINCK.

Le Comte D'ARSCHOT.

J.D. MEYER, Secretaris.