Hoofdstuk IV - Van het Hof

Inhoudsopgave van deze pagina:

38.

Bevoegdheden, Eenheid van rechtspraak, Ondersteuning door andere rechtsprekende instellingen

  • 1. 
    Het Hof verzekert de eerbiediging van het recht bij de uitleg en de toepassing van dit Statuut, van de wetten van de Gemeenschap en de uitvoeringsvoorschriften.
  • 2. 
    Het Hof van de Gemeenschap en dat van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal en van de Europese Defensie Gemeenschap vormen een enkel rechtscollege, dat de eenheid van de rechtspraak verzekert.
  • 3. 
    Andere rechtsprekende instellingen, die zijn opgericht door Verdragen, welke reeds van kracht zijn of later worden gesloten, staan het Hof bij in de vervulling van zijn taak.

39.

Leden van het Hof

  • 1. 
    Het aantal rechters bedraagt ten hoogste 15.

    Zij worden gekozen door de Europese Uitvoerende Raad uit een voordracht in dubbeltallen; voor deze keuze is de goedkeuring van de Senaat vereist. Iedere deelnemende Staat kan drie candidaten voorstellen. Hetzelfde zal in iedere Staat gelden voor de verkiezing van de nationale groepen, waaruit het permanente Hof van Arbitrage is samengesteld.

  • 2. 
    De candidaten moeten een hoog zedelijk aanzien genieten alsmede, hetzij de voorwaarden vervullen, die door hun nationale wetgeving vereist zijn voor de uitoefening van de hoogste rechterlijke functies, hetzij rechtsgeleerden zijn van onbetwistbare bekwaamheid.
  • 3. 
    De rechters worden voor negen jaar aangewezen en zijn opnieuw benoembaar.

    De ambtsperiode van de eerste zeven rechters eindigt evenwel na het verstrijken van de in het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal gestelde termijn.

  • 4. 
    Het Hof is bij uitsluiting bevoegd tot het vaststellen van tuchtmaatregelen met betrekking tot zijn eigen leden.
  • 5. 
    De rechters zijn onafhankelijk en alleen aan het recht gebonden.

40.

Wijziging der bevoegdheden, Reglement

  • 1. 
    De teksten betreffende de bevoegdheid van het Hof en de inrichting van de rechterlijke macht alsmede de regeling tot beslechting van geschillen, zullen overeenkomstig de artikelen 112 en 113 worden aangevuld en gewijzigd. Ingeval echter een zodanige herziening een wijziging medebrengt in de bevoegdheid van de Gemeenschap ten opzichte van de deelnemende Staten, zijn de bepalingen van artikel 111 van toepassing.
  • 2. 
    Met inachtneming van het bepaalde in het vorige lid, stelt het Hof een reglement van orde op en kondigt het zijn eigen procedurevoorschriften af.

41.

Geschillen tussen deelnemende Staten, of geschillen tussen Staten en de Gemeenschap

  • 1. 
    Het Hof neemt als hoogste instantie kennis van geschillen die ontstaan over de toepassing of de uitleg van dit Statuut of van een wet van de Gemeenschap, waardoor tegenover elkaar zijn komen te staan:
    • hetzij deelnemende Staten onderling,
    • hetzij een of meer deelnemende Staten en de Gemeenschap.
  • 2. 
    Het Hof neemt kennis doordat beroep in cassatie is ingesteld of herziening is gevraagd van arresten of vonnissen, die door de rechtsprekende colleges van de Gemeenschap, welke hem alle ondergeschikt zijn, zijn geveld.

42.

Vorderingen tegen de Gemeenschap, Uitspraak bij toepassing Verdragen EGKS en EDG

  • 1. 
    Het Hof neemt in eerste en laatste instantie kennis van alle vorderingen, die op wettige wijze tegen de Gemeenschap worden ingesteld, met inachtneming van de bepalingen van dit Statuut of van een wet van de Gemeenschap, waarbij bevoegdheid wordt verleend aan een ander rechtsprekend college.
  • 2. 
    Het Hof doet uitspraak in geschillen, die rijzen bij de toepassing van de Verdragen van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal en van de Europese Defensie Gemeenschap, overeenkomstig het in deze Verdragen bepaalde.

43.

Bevoegdheden

Het Hof is bevoegd zich uit te spreken over alle beroep tot nietigverklaring

wegens onbevoegdheid,

wegens het verzuim der vormen op straffe van nietigheid,

wegens schending van het Statuut of van zijn organieke wetten en uitvoeringsvoorschriften,

ofwel wegens machtsmisbruik,

ingesteld door iedere belanghebbende tegen beslissingen of aanbevelingen van de Europese Uitvoerende Raad of tegen een van de administratieve organen, die hem ondergeschikt zijn.

44.

Toetsing van geldigheid der besluiten door Europese Uitvoerende Raad en van beschikkingen door de Raad van Nationale Ministers

Slechts het Hof is bevoegd te beslissen over de geldigheid van besluiten of aanbevelingen van de Europese Uitvoerende Raad en van beschikkingen van de Raad van Nationale Ministers, indien in een twistgeding voor een nationale rechter deze geldigheid in het geding wordt gebracht.

45.

Toetsing aan rechten van de mens en fundamentele vrijheden

  • 1. 
    Elk geschil voortspruitend uit een beslissing of een andere maatregel van een der instellingen van de Gemeenschap, die de rechten aantast, welke door de Conventie tot bescherming van de rechten van de mens en van de fundamentele vrijheden zijn erkend, zal voor het Hof gebracht worden.
  • 2. 
    Wanneer krachtens het voorgaande lid door een natuurlijk persoon of een zedelijk lichaam beroep bij het Hof wordt ingesteld, wordt dit beroep beschouwd als in overeenstemming te zijn met hetgeen in artikel 26 van de Conventie tot bescherming van de rechten van de mens en van de fundamentele vrijheden wordt bepaald.
  • 3. 
    Na het in werking treden van de bepalingen betreffende de rechtsvordering als bedoeld in de Conventie tot bescherming van de rechten van de mens en van de fundamentele vrijheden, zal elk geschil dat een beginselvraag opwerpt met betrekking tot de uitleg of de omvang van de verplichtingen, die voortvloeien uit genoemde Conventie en die door dit feit alle verdragsluitende partijen van de genoemde Conventie raken, voor het Hof de verplichting meebrengen zo nodig zijn beslissing op te schorten tot na de uitspraak omtrent deze kwestie door de bij de Conventie tot bescherming van de rechten van de mens en van de fundamentele vrijheden voorziene instanties.

46.

Strijdigheid van overeenkomsten en verklaringen tussen lidstaten met die van het Verdrag

De deelnemende Staten verbinden zich geen beroep te doen op overeenkomsten of verklaringen, die tussen hen van kracht mochten zijn met het doel een geschil betreffende uitleg of toepassing van dit Verdrag te onderwerpen aan een andere regeling dan de in dit Verdrag bedoelde.

47.

Scheidsgerecht

Het Hof kan op grond van dit Statuut of van een wet van de Gemeenschap als scheidsgerecht optreden.

48.

Onderlinge bijstand tussen het Hof en nationale gerechtelijke instanties

De rechterlijke macht van de Gemeenschap en de rechterlijke macht van de deelnemende Staten verlenen elkander onderling alle bijstand, die noodzakelijk is voor de uitoefening van hun taak.

49.

Opschorting gedurende het beroep

Beroep op het Hof heeft geen opschortende werking. Het Hof kan echter, indien het van oordeel is dat de omstandigheden zulks vereisen, opschorting van de tenuitvoerlegging van de aangevochten beslissing of aanbeveling gelasten.

Het Hof kan iedere andere voorlopige maatregel voorschrijven, die het nodig oordeelt.