Hoofdstuk 1 - De instellingen

Inhoudsopgave van deze pagina:

1.

Onderverdeling

 

2.

Toelichting Nederlandse regering bij Derde afdeling: de Commissie

Zoals reeds in de algemene inleiding van deze Memorie onder het hoofd "Inhoud en strekking van het Verdrag werd opgemerkt, beoogt de E.E.G. aanzienlijk meer te zijn dan een Douane Unie. Niet alleen omvat haar werkingssfeer behalve het goederenverkeer ook het diensten-, personen- en kapitaalverkeer, doch ook bepaalt het Verdrag zich niet tot het opheffen van de nationale belemmeringen, welke aan dit verkeer zijn aangelegd, maar voorziet het in gemeenschappelijke sociaal-economische maatregelen, ten einde de welvaart binnen de Gemeenschap te bevorderen.

Intussen dwong de omvang van vraagstukken, welke de instelling van een algemene Gemeenschappelijke Markt doet rijzen, alsmede de betrekkelijk korte tijd, die voor de opstelling van het Verdrag beschikbaar was, tot een opzet, waarbij in het Verdrag zelf in het algemeen slechts de hoofdbeginselen van de geleidelijke opheffing der verkeersbelemmeringen en van de gemeenschappelijke politiek worden vastgelegd en de uitwerking van een en ander aan de instellingen der Gemeenschap wordt opgedragen. Met deze uitwerking zijn in de eerste plaats belast de Raad van Ministers (Raad) en de Europese Commissie (Commissie). De Raad is samengesteld uit vertegenwoordigers van de Regeringen der deelnemende Staten; de Commissie bestaat uit negen personen, die in volstrekte onafhankelijkheid hun taak vervullen.

De samenstelling en werkwijze van deze instellingen zijn dus in hoofdzaak gelijk aan die van de Bijzondere Raad van Ministers en van de Hoge Autoriteit der E.G.K.S. Bij de verdeling van de bevoegdheden over en de regeling van de betrekkingen tussen deze beide instellingen is in de E.E.G. echter een ander systeem gevolgd dan bij de E.G.K.S. Dit hangt ten dele samen met de hierboven weergegeven algemene opzet van de materiële bepalingen van het E.E.G.-Verdrag en ten dele ook met een zekere terughoudendheid, welke tijdens de onderhandelingen bij de andere delegaties viel te bespeuren met betrekking tot de wenselijkheid, de "supranationale" structuur van de E.G.K.S. in de E.E.G. over te nemen.

Wat de eerstgenoemde factor betreft, valt uiteraard niet te ontkennen, dat het vraagstuk van de institutionele bewerktuiging van de Gemeenschap zich ten aanzien van de E.E.G. enigszins anders stelde dan ten aanzien van de E.G.K.S.

De integratie, welke in de E.G.K.S. werd verwerkelijkt, had slechts betrekking op een tweetal grondstoffen, terwijl de E.E.G. het gehele economische leven der deelnemende landen bestrijkt. Dienovereenkomstig was het ook mogelijk in het E.G.K.S.-Verdrag met één slag de handelsbelemmeringen tussen de deelnemende Staten met betrekking tot kolen en staal op te heffen en gedetailleerde voorzieningen te treffen met betrekking tot de ten aanzien van de produktie en afzet van deze produkten te voeren gemeenschappelijke politiek; voorts bracht de overzichtelijkheid van de betrokken belangen mede, dat het Verdrag zelf in detail de overgangsmaatregelen kon regelen. Een dergelijke opzet van de materiële bepalingen kon uiteraard niet worden gevolgd bij de opstelling van het E.E.G.-Verdrag. Vandaarr dan ook, dat de oplossing van tal van praktische problemen met betrekking tot de instelling van de algemene Gemeenschappelijke Markt moest worden verschoven naar door de instellingen der Gemeenschap te treffen regelingen. Dat onder deze omstandigheden het zwaartepunt zou komen te liggen bij de Raad, is niet verwonderlijk.

Zoals gezegd, werd deze uit het zakelijk verschil tussen E.E.G. en E.G.K.S. te verklaren tendens tijdens de onderhandelingen nog versterkt door een bij alle andere delegaties, in overigens wisselende sterkte, waarneembare neiging, op politieke gronden het ,supranationale karakter der Gemeenschap in het Verdrag niet te zeer te onderstrepen. De Nederlandse delegatie daarentegen heeft steeds aangedrongen op versterking van de positie der Commissie. Deze aandrang is niet steeds zonder succes gebleven, zoals hieronder nader moge blijken.

Bij de beoordeling van de positie van een onderlinge verhouding tussen de Raad en de Commissie in de Gemeenschap dient niet uit het oog verloren te worden, dat de bepalingen van het verdrag alleen daaromtrent nog geen conclusie toelaten. Immers, een groot deel van het samenstel van bepalingen, dat t.z.t. de algemene Gemeenschappelijke Markt zal beheersen, dient nog overeenkomstig de procedures der Gemeenschap te worden vastgesteld. Het Verdrag voorziet uitdrukkelijk, dat daarbij aan de Commissie taken kunnen worden toebedeeld (artikel 155, laatste zinsnede i; vgl. ook b.v. artikel 87, tweede lid, sub d i). Het is alreeds op praktische gronden niet te verwachten, dat bij deze nadere regelingen de neiging tot het binnen enge grenzen houden van de bevoegdheden der Commissie doorslaggevend zal zijn.

Voorts valt uiteraard thans nog niet te voorspellen, welke invloed in feite de Commissie zal uitoefenen op de inhoud der door de Raad te treffen maatregelen. De formele bepalingen betreffende de samenwerking van Raad en Commissie geven aan laatstgenoemde instelling de mogelijkheid van een grote invloed. Het feit b.v., dat de Commissie vrijwel altijd voordat de Raad beslist een voorstel voor deze beslissing ter tafel moet hebben gebracht, garandeert de Commissie "de facto", gezien de veelheid en de gecompliceerdheid der onderwerpen, waarover moet worden beslist, zeker een grote invloed.

Wat de positie van de Commissie betreft, ligt de kern van het institutionele stelsel in artikel 149 i van het Verdrag, waarmede verzekerd is, dat de Raad slechts met unanimiteit kan afwijken van het voorstel der Commissie, wanneer het Verdrag hetgeen vrijwel steeds het geval is besluitvorming van de Raad op voorstel der Commissie voorschrijft.

Van grote principiële betekenis is ook de algemene bevoegdheid van de Commissie die ter zake geheel zelfstandig en onafhankelijk kan optreden om te waken voor de toepassing van het Verdrag en van de op grond daarvan getroffen maatregelen (artikel 155, tweede zinsnede). Deze bevoegdheid is, wat de stimulerende kant betreft, uitgewerkt in de bepaling, dat de Commissie aanbevelingen en adviezen kan geven (artikel 155, derde zinsnede) en, wat het repressieve aspect betreft, in artikel 169, dat de Commissie de bevoegdheid geeft een beroep te doen op het Hof in geval van niet-nakoming van het Verdrag door een deelnemende Staat.

Ten slotte beschikt de Commissie reeds uit hoofde van het Verdrag zelf over eigen beslissingsbevoegdheden op belangrijke terreinen. In dit verband kunnen in het bijzonder worden genoemd de z.g. ontsnappingsclausules, over de toepassing waarvan in de regel alleen de Commissie oordeelt, behoudens uiteraard de rechterlijke, resp. politieke controle van Hof en Vergadering, waarvan hieronder sprake is. De grote betekenis van deze bevoegdheid der Commissie, waardoor het gebruik van de ontsnappingsmogelijkheden aan intergouvernementele onderhandeling wordt onttrokken, behoeft geen nadere uitleg.

3.

Bij Tweede afdeling: De Raad

Besluitvorming in de Raad. In het bovenstaande kwam reeds ter sprake, dat het grootste deel der voor de toepassing van het Verdrag noodzakelijke nadere regelingen ter vaststelling aan de Raad is opgedragen. De wijze van besluitvorming in de Raad is tijdens de onderhandelingen het onderwerp geweest van menige controverse en langdurige besprekingen. Twee punten kwamen daarbij in het bijzonder naar voren, te weten: unanimiteit of meerderheid, en de weging van stemmen.

Ten aanzien van het eerste punt unanimiteit of meerderheid - is uiteindelijk voor een belangrijk deel van de door de Raad te treffen voorzieningen het stelsel aanvaard, dat gedurende een bepaalde periode na de inwerkingtreding van het

Verdrag het vereiste van unanimiteit bij de besluitvorming geldt, doch na die periode een besluit bij meerderheid van stemmen mogelijk is.

Een dergelijk stelsel is b.v. gevolgd ten aanzien van

  • de autonome wijziging van het gemeenschappelijk buitentarief (artikel 28 i),
  • de eventuele wijziging van het in het Verdrag neergelegde mechanisme van geleidelijke afschaffing der kwantitatieve restricties (artikel 33 i),
  • de organisatie van de landbouwmarkt (vgl. de artikelen 42 t/m 44),
  • de regeling van de geleidelijke verwezenlijking van het recht van vestiging (vgl. de artikelen 54, 56 en 57),
  • de geleidelijke vrijmaking van het dienstenverkeer (artikel 63 i) en van het kapitaalverkeer (artikel 69 i),
  • de regeling van het transportwezen (artikel 75 i),
  • de uitwerking van de bepalingen inzake kartels en economische machtsconcentraties (artikel 87 i),
  • de harmonisatie van wetgeving (artikel 101 i) en
  • de vaststelling van de gemeenschappelijke handelspolitiek (vgl. de artikelen 111 t/m 114).

Unanimiteit in de Raad is vereist voor

Ten slotte speelt het vereiste van unanimiteit een zekere rol bij de vaststelling van de financiële verplichtingen der deelnemende Staten, zulks mede in verband met de hierboven gerelateerde omstandigheid, dat de E.E.G., in tegenstelling tot de E.G.K.S., voorshands niet over eigen inkomsten uit belastingheffing beschikt. Stemonthouding van een lid van de Raad wordt geacht geen belemmering voor unanieme besluitvorming te zijn (artikel 148, lid 3 i).

Zoals uit het bovenstaande blijkt, is in tal van gevallen besluitvorming bij meerderheid van stemmen in de Raad toegelaten.

Gezien de samenstelling van de Raad uit normaliter aan instructies gebonden leden van de Regeringen der deelnemende Staten, heeft een dergelijk stelsel het grote voordeel, dat de activiteit van de Gemeenschap niet door het veto van één Staat kan worden lamgelegd. Om dezelfde reden staat daar uiteraard het nadeel tegenover, dat een vaste meerderheid van Staten steeds de minderheid kan overstemmen, m.a.w. het gevaar van een coalitievorming binnen de Raad. In dit verband is echter van grote betekenis het voorschrift, vervat in artikel 149 i van het Verdrag. Ingevolge deze bepaling kan, in alle gevallen, waarin het Verdrag een besluit van de Raad "op voorstel van de Commissie" voorziet en dat is de overgrote meerderheid der gevallen een meerderheidsbesluit van de Raad alleen geldig tot stand komen, wanneer de Commissie met de inhoud van dit besluit instemt. Op deze wijze behoort te zijn verzekerd, dat het besluit in overeenstemming is met het belang van de Gemeenschap als geheel.

Met dat al kan natuurlijk niet worden ontkend, dat het opdragen van de beschikkingsbevoegdheid aan de Raad mede ten doel heeft te verzekeren, dat in de activiteit van de Gemeenschap met de nationale belangen van de deelnemende Staten rekening wordt gehouden.

Het ligt voor de hand, dat bij de vaststelling van de modaliteiten van verwezenlijking van de Gemeenschappelijke Markt en bij het voeren van een gemeenschappelijke .politiek de voor- en nadelen van iedere genomen maatregel niet steeds gelijkelijk verdeeld zullen kunnen zijn over de Lid-Staten. In beginsel lijkt er a priori geen aanleiding voor de veronderstelling, dat relatief genomen de nationale belangen van een grotere Lid-Staat steeds in sterkere mate door de gemeenschapsbesluiten zullen worden getroffen dan de nationale belangen van een kleinere Staat. Wanneer men derhalve eenmaal de besluitvorming bij meerderheid van stemmen in een college van aan instructies gebonden regeringsvertegenwoordigers aanvaardt, lijkt de meest logische oplossing gelegen in een stelsel van absolute meerderheid met gelijk gewicht van stemmen. Dit is echter niet het stelsel, dat in het E.E.G.-Verdrag is gevolgd.

In de eerste plaats is in het E.E.G.-Verdrag voor vrijwel alle belangrijke besluiten van de Raad voor zover daarvoor niet eenstemmigheid is vereist een gekwalificeerde meerderheid voorgeschreven. In de tweede plaats is in de meeste gevallen een weging van stemmen toepasselijk, welke overigens niet in alle gevallen gelijk is. Deze beide elementen van het gevolgde stelsel hangen onderling nauw samen.

Zij beogen een sterkere bescherming te geven aan de nationale belangen van Frankrijk, Duitsland en Italië dan aan die van de Beneluxlanden, zowel voor wat betreft het tegenhouden als voor wat betreft het bevorderen van de totstandkoming van raadsbesluiten. Tijdens de onderhandelingen heeft de Nederlandse delegatie zich uit principiële overwegingen tegen een dergelijk stelsel verzet; zij bleek evenwel van de aanvang af alleen te staan in dit verzet en heeft ten slotte slechts kunnen bereiken, dat enerzijds ten aanzien van een aantal uitdrukkelijk in het Verdrag voorziene besluiten en alle niet specifiek in het Verdrag genoemde besluiten van de Raad het stelsel van absolute meerderheid zonder stemmenweging zou gelden (artikel 148 i, eerste lid), anderzijds een verband wordt gelegd bij de besluitvorming met het oordeel der Commissie (artikelen 148, lid 2, en artikel 149 i).

Stelsel van besluitvorming

Het ten slotte in het Verdrag voor de besluitvorming in de Raad neergelegde stelsel kan in hoofdzaak als volgt worden samengevat:

  • 1. 
    De basisregel, welke nog slechts bij uitzondering van toepassing is, is de absolute meerderheid zonder stemmenweging, d.w.z. een besluit is geldig tot stand gekomen, indien het de stemmen van vier deelnemende Staten heeft verkregen.
  • 2. 
    Voor een aantal besluiten is steeds eenstemmigheid vereist.
  • 3. 
    Voor een aantal besluiten is gedurende een zekere periode eenstemmigheid vereist.
  • 4. 
    Voor vrijwel alle sub 3 bedoelde besluiten is na de daarbedoelde periode een gekwalificeerde meerderheid vereist; alsdan wordt weging van stemmen toegepast in dier voege, dat een besluit niet tot stand kan komen, wanneer twee "grote" Staten (Frankrijk, Duitsland, Italië) dan wel één "grote" en een "middelgrote" (België, Nederland) Staat zich tegen dit besluit uitspreken, en een besluit wèl tot stand kan komen, indien drie "grote" Staten dan wel twee "grote" Staten en twee "middelgrote" Staten zich vóór dit besluit uitspreken.
  • 5. 
    In vrijwel alle belangrijke sub 4 bedoelde gevallen is Bovendien de instemming der Commissie vereist, waaraan slechts voorbij kan worden gegaan met eenstemmigheid.
  • 6. 
    In de sub 4 bedoelde gevallen, waarin geen instemming van de Commissie vereist is, dient de gekwalificeerde meerderheid tevens de stemmen van ten minste 4 Staten te omvatten, hetgeen betekent, dat alsdan de mogelijkheid vervalt, dat een besluit tot stand komt met alleen de stemmen der drie "grote" mogendheden.

    Het gaat hier hoofdzakelijk om de volgende gevallen:

    • a. 
      intrekking of wijziging van verleende machtiging tot afwijking van het Verdrag in bepaalde omstandigheden of van nationale toepassing der ontsnappingsclausule: Verdrag artikel 73, lid 1; artikel 106, lid 2; artikel 108, lid 3; artikel 109, lid 3; Protocol Frankrijk artikel I, lid 2;
    • b. 
      verlening van wederzijdse bijstand in geval van betalingsbalansmoeilijkheden: artikel 108, lid 2;
    • c. 
      handelspolitieke besluiten: artikelen 111, 113 en 114;
    • d. 
      sommige financiële en budgettaire aangelegenheden, zoals vaststelling van het budget (voor zover niet betrekking hebbende op het Europese Sociale Fonds), vaststelling salarissen in de gevallen van de artikelen 154 en 206, dechargeverlening aan de Commissie (artikel 206) en de machtiging, bedoeld in artikel 204).

Van de hierboven weergegeven hoofdlijnen is in het Verdrag op enkele punten afgeweken. Zo is b.v. in één geval, te weten de vaststelling van het regime van minimumprijzen voor landbouwprodukten na de overgangsperiode, een besluit van de Raad voorzien, waarbij een meerderheid van 9 op de 17 gewogen stemmen voldoende is om een voorstel van de Commissie tot een bindende regeling te maken (artikel 44, lid 6 i).

Voorts dient in dit verband te worden vermeld, dat voor enkele materies een afwijkende weging van stemmen is toegepast.

Aldus is voor de vaststelling van het budget der Gemeenschap voor wat betreft de afdeling, betrekking hebbende op het Europese Sociale Fonds, een meerderheid van 67 stemmen vereist bij een stemverdeling Frankrijk en Duitsland 32, Italië 20, België 8, Nederland 7 en Luxemburg 1 (artikel 203, lid 5 i). Dit houdt mede verband met de verdelingssleutel der bijdragen voor dit doel (vgl. artikel 200, lid 2 i).

Een speciale stemmenweging geldt ook voor de bepaling van de besteding van de gelden van het fonds voor de ontwikkeling van de geassocieerde gebieden (artikel 7 i der desbetreffende Conventie). Ook hier geldt een bijzondere verdelingssleutel voor de bijdragen aan het fonds (vgl. annexen A en B van deze Conventie).

4.

Bij Eerste afdeling: De Vergadering

Evenals het E.G.K.S.-Verdrag voorziet het E.E.G.-Verdrag een parlementaire instelling, de Vergadering. De hoofdtaak van deze Vergadering is het uitoefenen van een politieke controle op de Commissie. Deze controle kan culmineren in het aannemen van een motie van afkeuring van het beleid der Commissie, hetwelk de leden der Commissie rechtens verplicht tot collectief aftreden (artikel 144 i).

Anders dan bij de E.G.K.S. kan een dergelijke motie, ook bij een andere gelegenheid dan de behandeling van het jaarlijkse rapport der Commissie worden aangenomen. Voor het overige is de regeling van de controlerende functie der Vergadering in wezen gelijk aan het voor de E.G.K.S. aanvaarde stelsel.

De controlemiddelen van de Vergadering beperken zich niet tot het aannemen van moties en het hanteren van het vragenrecht. In vele gevallen is het raadplegen van de Vergadering voor het vaststellen van een regeling vereist (vgl. de artikelen 7, 14, lid 7, 17, lid 1, 42, 43, 54, 56, 63, 75, 87, 100, 106, 126, 127, 133, 201, 235, 236, 238). Het uiteindelijke besluit wordt in deze gevallen genomen door de Raad, die uiteraard met de door en in de Vergadering uitgesproken meningen rekening zal houden. Bij de andere delegaties bestond overwegend bezwaar tegen het toekennen van beslissende of medebeslissende bevoegdheden aan de Vergadering. Noch een goedkeuring van de voorstellen van de Commissie, alvorens deze aan de Raad worden aangeboden, noch een uiteindelijk recht van placet van de Vergadering op de besluiten van de Raad was voer deze delegaties dan ook aanvaardbaar.

In artikel 149 i van het Verdrag wordt eraan herinnerd, dat ook de Commissie casu quo naar aanleiding van de uitspraak van de Vergadering haar voorstellen aan de Raad waarvan de Baad als regel alleen bij unanimiteit kan afwijken kan wijzigen. Er is geen bepaling in het Verdrag, die zich zou verzetten tegen een gedragslijn, volgens welke de Commissie de vergadering raadpleegt alvorens een voorstel aan de Raad te doen. Verplicht tot raadpleging is echter alleen de Raad in de door het Verdrag uitdrukkelijk genoemde gevallen.

De Vergadering heeft ook het recht voorstellen te doen tot wijziging het haar voorgelegde ontwerpbudget (artikel 203 i). De verdeling van de zetels in de Vergadering over de deelnemende Staten vertoont in de E.E.G., vergeleken bij de E.G.K.S., een duidelijke relatieve versterking van de representatie der "grote" Staten. De betekenis hiervan dient echter, gezien de praktijk van de bestaande Europese parlementaire instellingen, waarin de politieke fracties steeds meer een rol spelen, niet te hoog te worden aangeslagen.

Gezien de omvang van de werkzaamheden der Vergadering, is het aantal van haar leden, kleiner dan wellicht gewenst ware. Dit bezwaar weegt vooral voor de Benelux-landen.

De Nederlandse delegatie heeft nog getracht in de regeling van de samenstelling der Vergadering de mogelijkheid te doen openen van een stelsel van plaatsvervanging, analoog aan het systeem, dat voor de Raadgevende Vergadering van de Raad van Europa geldt. Dit stelsel is echter niet in de tekst van het Verdrag opgenomen. Wel werd echter door alle delegaties erkend, dat in het verband van de voorzieningen, welke in de toekomst kunnen worden voltrokken met betrekking tot de reorganisatie van de Europese parlementaire instellingen, ook de omvang van de vertegenwoordiging uit de deelnemende Staten en de eventuele plaatsvervanging opnieuw aan de orde kunnen worden gesteld.

Wederom in navolging van de bestaande Europese parlementaire instellingen worden de leden van de Vergadering voorshands door en uit de nationale Parlementen gekozen. Het Verdrag voorziet echter de mogelijkheid van rechtstreekse verkiezing van de leden. Deze mogelijkheid bestond reeds in de E.G.K.S., doch was daar overgelaten aan de individuele beslissing van iedere deelnemende Staat. Artikel 138 i van het E.E.G.-Verdrag daarentegen voorziet een uniforme regeling in alle deelnemende Staten. De Vergadering heeft de bevoegdheid een dergelijke regeling voor te stellen.

Uiteraard kon, gezien de principiële constitutionele betekenis van een uniform stelsel van directe verkiezingen, het Verdrag de deelnemende Staten niet verplichten tot het aanvaarden daarvan uit hoofde van een besluit van een instelling der Gemeenschap. De Raad kan echter met eenstemmigheid "parallelle wetgeving" op dit stuk aanbevelen. Gezien de grote verscheidenheid van de kiesstelsels der deelnemende Staten een verscheidenheid, die waarlijk niet uitsluitend op technische gronden berust , zijn de ondergetekenden van mening, dat het ontwerpen van een voor alle deelnemende Staten aanvaardbaar uniform stelsel uitermate moeilijk zal zijn. De besprekingen, die destijds over dit onderwerp in verband met de plannen tot instelling ener Europese Politieke Gemeenschap tussen de zes landen zijn gevoerd, hebben aan het licht gebracht, dat verscheidene, zo niet alle landen bezwaarlijk voor de rechtstreekse verkiezing van een Europees Parlement een kiesstelsel kunnen aanvaarden, dat sterk afwijkt van het stelsel, dat voor de verkiezing van het nationale Parlement geldt.

Bovendien wordt in sommige landen wel de opvatting gehuldigd, dat de rechtstreekse verkiezing van een Europees Parlement slechts na wijziging van de nationale Grondwet kan worden verwezenlijkt.

5.

Bij Vierde afdeling: Het Gerechtshof en de geschillenbeslechting

Ten slotte dienen in deze inleiding enkele woorden gewijd te worden aan de geschillenbeslechting binnen de Gemeenschap.

Geschillen over de naleving van de Verdragsbepalingen door een deelnemende Staat worden bij uitsluiting beslecht door het Gerechtshof (vgl. de artikelen 169, 170 en 219). Iedere deelnemende Staat kan het Gerechtshof verzoeken te verklaren, dat een Staat zijn verplichtingen uit hoofde van het Verdrag niet is nagekomen (artikel 170). Een zelfde bevoegdheid komt ook de Commissie toe, die immers zelfstandig de taak heeft voor de naleving van het Verdrag te waken (artikel 169).

De uitspraak van het Gerechtshof brengt voor de gedaagde Staat de verplichting mede om de maatregelen te nemen, welke de uitvoering van het arrest medebrengt (artikel 171). Het Gerechtshof kan ook voorlopige maatregelen bevelen (artikel 186). Alvorens op deze wijze een geschil voor het Gerechtshof kan worden gebracht, dient een prealabele procedure te worden gevolgd, welke is ingesteld om het beroep op het Gerechtshof voor zover mogelijk te beperken en een beslechting langs de weg van overreding te bevorderen (artikel 169, eerste lid, en artikel 170, tweede en derde lid). Ook op deze wijze kan de Commissie een belangrijke rol bij de uitvoering van het Verdrag vervullen.

Naast deze min of meer klassieke regeling van de geschillenbeslechting is, in navolging van het in de E.G.K.S. gehuldigde stelsel, de mogelijkheid voorzien van een beroep op het Gerechtshof in het geval, dat een instelling der Gemeenschap haar uit het Verdrag voortvloeiende verplichtingen niet nakomt. Dit beroep kan twee vormen aannemen:

  • ten eerste de actie, strekkende tot vernietiging van een onregelmatig besluit van de Raad of van de Commissie (artikel 173),
  • ten tweede een actie, strekkende tot verklaring, dat de Raad of de Commissie in strijd met de, deze instellingen bij het Verdrag opgelegde, verplichtingen zich hebben onthouden van het nemen van een besluit (artikel 175).

Beide acties kunnen worden ingesteld door een deelnemende Staat onafhankelijk van het bestaan van een rechtstreeks belang bij het besluit of de onthouding, door de Raad en door de Commissie. In het geval van artikel 175 (onthouding) kan bovendien de Vergadering een actie instellen. Beide acties kunnen ook ingesteld werden door natuurlijke en rechtspersonen, doch dan alleen tegen een bindende beschikking, die uitdrukkelijk tot deze personen gericht is, respectievelijk tegen een onthouding, welke een uit het Verdrag jegens deze personen voortvloeiende verplichting schendt.

Tegen een genomen besluit kan een natuurlijke of rechtspersoon ook beroep instellen, wanneer dit besluit weliswaar niet uitdrukkelijk tot deze persoon is gericht, doch in feite deze persoon individueel en rechtstreeks raakt. De mogelijkheid van een actie, ingesteld door een privé-persoon tegen een besluit of onthouding van een instelling der Gemeenschap is dus beperkt gehouden en omvat dus met name niet alle gevallen, waarin de Belangen van de privé-personen worden geschaad. Uiteraard kan de Staat steeds voor de belangen van zijn onderdanen opkomen door uit eigen hoofde een van de beide genoemde acties in te stellen.

Geen actie tegen de Raad of de Commissie staat open, wanneer het ten onrechte genomen of nagelaten besluit een advies of aanbeveling is, respectievelijk zou moeten zijn, aangezien adviezen en aanbevelingen niet bindend zijn.

Voor het overige kan een actie worden ingesteld onafhankelijk van de wijze, waarop het geïncrimineerde besluit is tot stand gekomen, respectievelijk zou moeten zijn tot stand gekomen. Formeel kunnen derhalve b.v. ook verordeningen, vastgesteld door de Raad met eenparigheid van stemmen, overeenkomstig het voorstel der Commissie en na raadpleging van de Vergadering, het voorwerp van een beroep zijn.

Het Hof oordeelt in beroep alleen over de wettigheid van het besluit (artikel 173, aanhef, en artikel 164); de doelmatigheid staat niet ter beoordeling van de rechter. Niet is nagevolgd de nadere uitwerking van dit beginsel, welke in artikel 33 van het E.G.K.S.-Verdrag is neergelegd. In de praktijk is gebleken, dat zulk een uitwerking materieel overbodig is en procedureel slechts moeilijkheden geeft. Het Hof kan het aangevallen besluit nietig verklaren, waarbij, voor wat betreft de verordeningen, met verkregen rechten kan worden rekening gehouden (artikel 174).

Het Hof is niet bevoegd zelf een ander besluit in plaats van het vernietigde besluit te stellen. Dit beginsel kan echter uitzondering lijden in het geval van besluiten, die een sanctie opleggen, wanneer een verordening, vastgesteld door de Raad, de bevoegdheid tot het opleggen van sancties aan de Raad of aan de Commissie toekent (artikel 172).

Bijzondere voorzieningen zijn getroffen ten aanzien van de beslechting van geschillen betreffende de toepassing van het Statuut der Europese Investeringsbank (artikel 180).

Een onwettige verordening, waarvan de vernietiging niet of niet tijdig is verzocht, kan niettemin door het Hof buiten toepassing gelaten worden in een geschil (artikel 184). Deze bepaling is vooral van belang voor natuurlijke en private rechtspersonen, die immers niet uit eigen hoofde de vernietiging van de verordening kunnen vragen.

Het Verdrag en de uit hoofde daarvan genomen besluiten kunnen ook in de nationale rechtssfeer rechtsgevolgen teweegbrengen. Ten einde de eenheid van interpretatie en toepassing te bevorderen, is het Hof bevoegd, over de interpretatie van de besluiten der Gemeenschapsinstellingen een uitspraak te doen, wanneer desbetreffende vragen rijzen in een procedure voor de nationale rechter (artikel 177). De nationale rechter, die in laatste instantie oordeelt, is verplicht deze vragen naar het Gerechtshof te verwijzen; in lagere instantie is de verwijzing facultatief.

Behalve over de toepassing van de verdragsbepalingen oordeelt het Gerechtshof ook over de niet-contractuele aansprakelijkheid van de Gemeenschap (artikel 178 juncto 215, alinea 2). Ten aanzien van de aansprakelijkheid van de Gemeenschap ex contractu is in beginsel de nationale rechter bevoegd te oordelen; in het contract kan evenwel een compromissoire clausule zijn opgenomen, waarbij de geschillen over de uitvoering ter berechting aan het Gerechtshof zijn opgedragen. Zowel de niet-contractuele als de contractuele aansprakelijkheid van de Europese Investeringsbank kan voor de nationale rechter worden geldend gemaakt (vgl. artikel 29 Statuut Investeringsbank).

Geschillen tussen de Gemeenschap en personen, die in haar dienst staan, kunnen door het Gerechtshof berecht worden. Nadere regeling van de gevallen, waarin deze zaken voor het Hof kunnen worden gebracht, en van de procedure is voorbehouden aan de reglementen, c.q. contracten, die de rechtspositie van deze personen zullen regelen (vgl. artikel 179 en artikel 212 jo. 246, lid 3).

Bijzondere procedures voor geschillenbeslechting

In het Verdrag zijn nog enkele bijzondere procedures van geschillenbeslechting voorzien. Zo is in artikel 87, tweede lid, sub d i, de mogelijkheid geopend, in de door de Raad vast te stellen bepalingen ter nadere regeling van de materie van de artikelen 85 en 86 (krachts- en machtsconcentraties) ook de rol van het Gerechtshof bij de toepassing van die bepalingen nader te definiëren; van deze mogelijkheid zou eventueel gebruik kunnen worden gemaakt door het stellen van een regeling, die aan het Gerechtshof in eerste en laatste instantie de beslissingen in kartelzaken overlaat of die de bevoegdheid van het Gerechtshof in kartelzaken beperkt.

Een bijzondere procedure is ook voorzien voor geschillen over de toepassing van artikel 8 i van het Verdrag betreffende de overgang van de eerste naar de tweede etappe van verwezenlijking van de Gemeenschappelijke Markt. Indien aan het einde van het zesde jaar na de inwerkingtreding van het Verdrag de Raad met gekwalificeerde meerderheid heeft besloten tot de- overgang naar de tweede etappe, dan wel dit besluit bij gebreke van de vereiste meerderheid niet heeft kunnen nemen, kan een deelnemende Staat, die zich bij dit besluit, resp. deze onthouding, niet wil neerleggen, een arbitrale uitspraak vragen. De samenstelling van het alsdan optredende scheidsgerecht is geregeld in artikel 8, lid 4, van het Verdrag. Een soortgelijke procedure is voorzien in artikel 1, lid 2, van het Protocol betreffende Luxemburg voor het geval, dat een deelnemende Staat zich niet kan verenigen met het besluit van de Raad, waarbij aan het einde van de overgangsperiode het bij zondere landbouwregime voor Luxemburg wordt gehandhaafd, gewijzigd of afgeschaft.

De samenstelling en werkwijze van het Gerechtshof zijn in hoofdzaak geregeld overeenkomstig de desbetreffende bepalingen van het E.G.K.S.-Verdrag.

Op twee afwijkende punten moge hier de aandacht gevestigd worden. In de eerste plaats is, mede i.v.m. de omstandigheid, dat het Gerechtshof zijn rechterlijke functie niet alleen in de (algemene) Economische Gemeenschap, doch ook in de E.G.K.S. en de Euratom zal vervullen, op het vereiste van juridische bekwaamheid voor benoembaarheid tot rechter of advocaat-generaal de nadruk gelegd (artikel 167).

Voorts is rekening gehouden met de mogelijkheid, dat in de toekomst het aantal zaken, waarin het Gerechtshof zal hebben te oordelen, een zodanige omvang aanneemt, dat niet alleen een uitbreiding van het aantal rechters, doch ook herziening van de interne organisatie noodzakelijk zal blijken. Te dien einde kan dan de Raad, op initiatief van het Gerechtshof, bij unanimiteit de nodige voorzieningen treffen (vgl. artikel 165, 4de alinea, artikel 166, 3de alinea, en artikel 45 Protocol Statuut Gerechtshof).

De arresten van het Gerechtshof zijn bindend; de daaruit voortvloeiende verplichtingen voor de deelnemende Staten en voor de Instellingen der Gemeenschap zijn omschreven in de artikelen 171 en 176 van het Verdrag voor wat betreft uitspraken in geschillen betreffende de nakoming van het Verdrag door de Staten en door de Gemeenschap.

Een bijzondere voorziening is getroffen voor de uitspraken, die ten laste van andere personen dan de Staten een op geld luidende verplichting opleggen (artikel 187). Deze uitspraken hebben, evenals de besluiten van de Raad en van de Commissie van dezelfde strekking en inhoud, binnen de deelnemende Staten de kracht van een executoire titel. De tenuitvoerlegging is geregeld in artikel 192. Ter zake zijn de nationale bepalingen betreffende de tenuitvoerlegging van burgerlijke vonnissen van toepassing. Het verlof van executie wordt verleend door. de bevoegde nationale autoriteit.

Alleen de echtheid van het arrest of van het besluit kan daarbij nog in het geding gebracht worden; er is derhalve geen toetsing door de nationale autoriteit toegestaan van de regelmatigheid van het arrest of besluit. Schorsing van de tenuitvoerlegging kan alleen door het Gerechtshof der Gemeenschap bevolen worden. Geschillen over de regelmatigheid van de maatregelen, die ten behoeve van de tenuitvoerlegging worden genomen, worden echter door de nationale rechter berecht.