Eerste Afdeeling. Van het Vertegenwoordigend Lichaam in het algemeen.

Inhoudsopgave van deze pagina:

30.

Vertegenwoordigend Lichaam vertegenwoordigt het Volk en geeft wetten

Het Vertegenwoordigend Lichaam is datgene, welk het geheele Volk vertegenwoordigt, en, in deszelfs naam, wetten geeft, overeenkomstig het voorschrift der Staatregeling.

31.

Leden vertegenwoordigen het geheele Volk; Geen bijzondere Lastbrief

Geen Lid van dit Lichaam vertegenwoordigt, immer, eenig afzonderlijk gedeelte des Volks, noch ontvangt eenen bijzonderen Lastbrief.

32.

Vereischten aan Lidmaatschap

Tot Leden van dit Lichaam zijn verkiesbaar allen, die in zig vereenigen de navolgende verëischten:

  • a. 
    Dat zij zijn stembevoegde Burgers.
  • b. 
    Dat zij den ouderdom van dertig jaaren ten vollen bereikt hebben.
  • c. 
    Dat zij binnen deze Republiek, zoo als die vóór den Jaare 1795 bestond, of na dezen bestaan zal, geboren zijn, en aldaar, geduurende de laatste tien jaaren, of, zo elders geboren, geduurende de laatste vijftien jaaren, hunne vaste woonplaats gehad hebben.

Dit laatste sluit geenszins uit die Burgers, die in en na den Jaare 1787, om politieke vervolgingen, uit hun Vaderland geweken zijnde, vóór den Jaare 1796 daarin zijn wedergekeerd.

33.

Uitgesloten van Lidmaatschap

Tot Leden van dit Lichaam zijn niet verkiesbaar:

  • a. 
    Leden van het Uitvoerend Bewind, dan drie jaaren na hunne aftreding uit hetzelve.
  • b. 
    Allen, die zig aan eenigen Kerklijken Eerdienst verbonden, of aan eenig openbaar Onderwijs toegewijd hebben; tenzij dezelven, alvoorens, vrijwillig afstand doen van deze hunne bedieningen.

34.

Vervanging van Ambten of Bedieningen tijdens Lidmaatschap

Zij, die Ambten of Bedieningen van 's Lands wege bekleeden, worden daarvan ontslagen, zoodra zij als Leden van dit Lichaam zitting nemen. Geduurende den tijd hunner zittinge, word een ander in hunne plaats aangesteld door diegenen, aan welken de begeving staat dier Ambten of Bedieningen.

35.

Leden bekleden geen Ambt of Bediening

Aan geen der Leden van dit Lichaam word, geduurende den tijd zijner zitting, eenig Ambt of Bediening opgedragen.

36.

Eed

Niemand kan, als Lid van het Vertegenwoordigend Lichaam, zitting nemen, dan na, alvoorens, in handen van den Voorzitter der algemeene Vergadering, of, deze reeds uitééngegaan zijnde, in handen van den Voorzitter dier Kamer, van welke hij als Lid door de algemeene Vergadering verkozen is, te hebben afgelegd de volgende verklaaring:

"Ik beloof op mijne Burger-trouw, dat ik, als Lid van het Vertegenwoordigend Lichaam des Bataafschen Volks, de Staatsregeling met all' mijn vermogen zal handhaven, en nimmer, op eenigerlei wijze, medewerken, of zal helpen besluiten tot eenig ontwerp, strekkende tot wederïnvoering van het Stadhouderlijk of Foederatief Bestuur, of ter begunstiging van Aristocratie of Regeeringloosheid, maar, met alle mijne magt, dit alles zal tegenwerken."

"Dit verklaar Ik."

37.

Jaarlijkse vervanging van een derde van de Leden

Jaarlijks treed een derde gedeelte (of hetgeen daarbij het naaste komt) van het volle getal der Leden van het Vertegenwoordigend Lichaam af, en word vervangen door een gelijk getal nieuwe Leden, gekozen op den, bij het Reglement LETTER B, bepaalden tijd en wijze, door die Districten, voor welken de in dat jaar aftredenden opgekomen waren.

38.

Aftreden Leden bij tourbeurt

Ter bepaalinge van de orde, volgends welke deze aftreding zal plaats hebben, word in de eerste algemeene Vergadering bij Loting beslist, welke Leden het eerste, tweede en derde jaar zullen aftreden. En zal deze, door het Lot daargestelde, Orde de tourbeurten der Districten, tot verkiezing van Leden voor het Vertegenwoordigend Lichaam, voor de volgende jaaren bepaalen.

39.

Wederverkiesbaarheid Leden

De aftredende Leden zijn andermaal weder verkiesbaar, doch voor de derde maal niet, dan na een tijdverloop van drie jaaren.

40.

Vervulling opengevallen plaatsen

Eene plaats in het Vertegenwoordigend Lichaam tusschentijds openvallende, word de Plaatsvervanger des Uitgevallenen, onverwijld, door het Uitvoerend Bewind opgeroepen, om den nog overigen tijd van dezen laatsten, in de Kamer, waarin dezelve zitting had, te vervullen.

Deze oproeping heeft geene plaats, indien de te vervullen tijd niet langer is, dan van zes Maanden; blijvende in dit geval de Vacature onvervuld tot de eerstvolgende Verkiezing.

41.

Jaarwedde

De Leden van dit Lichaam genieten ieder vier duizend Guldens in het jaar, onder korting van tien Guldens voor elken dag, dien zij, zonder verlof van den Voorzitter der Kamer, waartoe zij behooren, afwezig zijn.

42.

Reiskostenvergoeding

Bij hunne eerste aankomst, en eindelijke aftreding, ontvangen zij, voor Reiskosten en Transport, drie Guldens, voor ieder uur afstands.

43.

Verbod op gedelegeerd mandaat aan Commissie, Standplaatsgebondenheid

Nimmer word uit het Vertegenwoordigend Lichaam eene Commissie benoemd, om het gezag aan het geheele Lichaam toevertrouwd uitteoefenen, noch ook, om hetzelve in of buiten de Residentie-plaats te vertegenwoordigen.

44.

Verbod op bijwonen Feesten of Plegtigheden

Hetzelve woont nimmer, hetzij geheel, hetzij door eene Commissie uit deszelfs midden, eenige openbaare Feesten of Plegtigheden bij.

45.

Lijfwacht, Costuum

Het Vertegenwoordigend Lichaam heeft, in de plaats zijner Residentie, eene vaste, en alleen ten zijnen bijzonderen dienste staande, Lijf-Wacht van ten minsten zeven honderd Man, zoo Voet- als Paarden-Volk, welke bij Reglement, door hetzelve Lichaam te maaken, onmiddellijk, en bij uitsluiting, onder de beurtelingsche orders der tijdlijke Voorzitters van de beide Kamers staan.

Hetzelve bepaalt het Costuum voor Zijne Leden.

46.

Gewoone residentie in den Haage

Het houd zijne gewoone residentie in den Haage.

47.

Verplaatsing residentie

Het verplaatst zig, des noods, naar elders, op een beredeneerd besluit der Eerste Kamer, bekragtigd door de Tweede Kamer.

Dit Decreet is onherroeplijk, en, na eene onverwijlde kennisgeving van hetzelve aan het Uitvoerend Bewind, gaan beide de Kamers uit één.

Zie de verdere bepaalingen bij het Reglement, LETT. B., tweede Afdeeling.

48.

Vertegenwoordigend Lichaam gaat nimmer uit één

In alle andere gevallen, gaat Hetzelve nimmer uit één. Alleenlijk kan de eene of andere Kamer, voor zekeren korten tijd, haare zittingen verschuiven.

49.

Onderlinge overeenkomst Voorzitters beide Kamers voor verschuiving zittingen

Wanneer dit voor langer, dan drie dagen, mogt zijn, word vooraf eene onderlinge overeenkomst der Vóórzitters van beide de Kamers verëischt.

50.

Bevoegdheden Vertegenwoordigend Lichaam

Aan dit Lichaam behoort, uitsluitender wijze:

  • a. 
    De Magt van Wetgeving, benevens het verklaren, verbeteren, opschorten en afschaffen der Wetten, alles naar en behoudens het voorschrift der Staatsregeling.
  • e. 
    Het toestaan van verblijf of doortogt aan vreemde Troepen op of over het grondgebied der Republiek, benevens de toelating van vreemde Zeemagt of gewaapende Scheepen in derzelver Havens, beiden op voordragt van het Uitvoerend Bewind.
  • h. 
    Het beëordeelen en vaststellen der jaarlijksche begrootingen van Staatsuitgaven, zoo gewoone als buitengewoone, en het aan zig doen verändwoorden van zoodanige sommen, als het Uitvoerend Bewind, geduurende het afgelopen jaar uit 's Lands Kas ontvangen en uitgegeven heeft.
  • k. 
    Het bepaalen der Tractementen, Defroijementen, en andere toelagen van alle Ambtenaren, zoo Burgerlijke als Militaire, op voordragt van het Uitvoerend Bewind, voor zoo veel dezelven bij de Staatsregeling niet bepaald zijn.
  • m. 
    Het, des nodig, maaken van nieuwe Ambten, zoo Burgerlijke als Militaire, met bepaaling van derzelver Tractementen en Voordeelen, op voordragt van het Uitvoerend Bewind.
  • p. 
    Het vaststellen van eenen algemeenen voet op het werk der Posterijen, door de geheele Republiek, en het bepaalen van algemeene voorzieningen dien aangaande.
  • q. 
    Het verleenen van gratie, na ingenomen consideratiën, en op gunstig bericht van den Regter, aan wien de zaak behoort.
  • r. 
    Het toestaan van remissie van gratie aan Schuldenaaren van den Staat.
  • s. 
    Het toeleggen van belooningen, en verleenen van van Pensioenen, op voordragt van het Uitvoerend Bewind, mids volgende het voorschrift art. 57 en 58 der Burgerlijke en Staatkundige Grondregelen.
  • t. 
    Eindelijk, het bepaalen en regelen van alles, waarin door de Staatsregeling, en de voorhanden zijnde Wetten, niet mogt voorzien zijn.